Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:ORBAACM:2021:33

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
23 juli 2021
Zaaknummer
AUA2018H00221
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 26 Landsverordening materieel ambtenarenrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling afwijzing bevordering wegens ontbreken diploma Middle Management 1

Appellant, sinds 1979 in dienst, verzocht om bevordering naar de rang van opzichter A binnendienst (schaal 9). Dit verzoek werd afgewezen omdat hij niet beschikte over het diploma Middle Management 1 (MM1), een vereiste voor deze bevordering. Appellant voerde aan dat dit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, en dat hij ten onrechte was gepasseerd op de rangenlijst.

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de bestreden beschikking redelijk was genomen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en vroeg tevens om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat benoeming in een carrièrefunctie zonder alle vereisten mogelijk is, maar bevordering vereist het voldoen aan alle voorwaarden, waaronder het diploma MM1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, evenals het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat appellant niet kon afdwingen dat eerdere fouten van de werkgever ten aanzien van anderen ook op hem werden toegepast.

Daarnaast oordeelde de Raad dat het zich bevinden op een bepaalde plek op de rangenlijst geen betekenis heeft voor bevordering. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het hoger beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 7 juli 2021
Zaaknummer: AUA2018H00221

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend in Aruba,
appellant,
gemachtigde: mr. R.P. Lee,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
5 november 2018, AUA201702699 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.

Procesverloop

Bij beschikking van 11 september 2017 (bestreden beschikking) heeft geïntimeerde het verzoek van appellant om te worden bevorderd naar de rang van opzichter A binnendienst (schaal 9) afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant tegen de bestreden beschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2021.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is op 20 november 1979 in dienst getreden van het Land. De laatste bevordering van appellant was een bevordering naar schaal 8 per 1 januari 2001. Met ingang van 1 februari 2008 is appellant ontheven uit zijn functie van afdelingshoofd binnendienst en geplaatst in de functie van hoofd arbeid, met behoud van zijn rechtspositie. Zowel de functie van afdelingshoofd binnendienst als hoofd arbeid zijn maximaal gewaardeerd op het niveau van schaal 9. Geïntimeerde heeft bij de bestreden beschikking het verzoek van appellant om bevordering naar schaal 9 afgewezen, omdat appellant niet beschikt over het diploma Middle Management 1 (MM1). Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel gaat volgens geïntimeerde niet op, omdat de gevallen waarnaar appellant refereert niet vergelijkbaar zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft daartoe overwogen dat appellant zich heeft beroepen op schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van het Gerecht falen al deze beroepsgronden en heeft geïntimeerde in redelijkheid kunnen beslissen om het verzoek van appellant af te wijzen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat geïntimeerde heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Verder heeft hij gesteld dat hij ten onrechte is gepasseerd op de rangenlijst en dat de normen verbonden aan artikel 26 van Pro de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) zijn geschonden. Ten slotte heeft hij een verzoek om schadevergoeding ingediend.
3.2.
Geïntimeerde heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het gevangenispersoneel wordt een nieuw rangenstelsel toegepast, vooruitlopend op de formalisering daarvan door wijziging van het Landsbesluit bijzondere rechtspositionele bepalingen gevangenispersoneel (AB 1993, no. 38). In dat rangenstelsel is schaal 9 toegekend aan de rang van opzichter A binnendienst. Als bevorderingseis voor een bevordering naar de rang van opzichter A binnendienst geldt op grond van dit rangenstelsel onder meer dat het diploma MM1 is behaald. Appellant voldoet niet aan deze eis. Hij heeft de opleiding wel gevolgd, maar slechts twee van de drie modules gehaald. Aan het feit dat geïntimeerde appellant achtereenvolgens heeft geplaatst in de functies van afdelingshoofd binnendienst en hoofd arbeid met een maximale functiewaardering in schaal 9 kan appellant niet het vertrouwen ontlenen dat hij ook naar schaal 9 zou worden
bevorderd. Benoeming in een carrièrefunctie is mogelijk zonder dat aan alle vereisten is voldaan. Om in een carrièrefunctie bevorderd te kunnen worden, moet voldaan zijn aan de vereisten voor zo’n bevordering. Zoals hiervoor is overwogen betreft het bij beide functies de eis dat het diploma MM1 is behaald. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
4.2.
Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Ter zitting heeft appellant zijn beroep nader toegelicht en uiteengezet dat zijn situatie gelijk is aan de situatie van de door hem genoemde collega’s, omdat zij wel zijn bevorderd terwijl zij ook niet voldeden aan de voor hen geldende opleidingseis. Zoals geïntimeerde ter zitting terecht heeft opgemerkt stelt appellant hiermee dat geïntimeerde eerder gemaakte fouten ook ten aanzien van hem moet toepassen.
Het standpunt van geïntimeerde dat hij niet verplicht kan worden eerder gemaakte fouten te herhalen wordt onderschreven. Nog daargelaten of de door appellant genoemde collega’s inderdaad ten onrechte zijn bevorderd. Het gaat in de situatie van de door appellant genoemde collega’s overigens niet om een bevordering naar schaal 9.
4.3.
Artikel 26 van Pro de Lma geeft een regeling voor een waarnemingstoelage. De bestreden beschikking is een beslissing op een verzoek om bevordering, niet op een verzoek om een waarnemingstoelage. Dit punt gaat buiten de omvang van het geding om. Dat geldt eveneens voor het gepasseerd zijn op de rangenlijst. Het zich bevinden op een bepaalde plek op de rangenlijst heeft als zodanig geen enkele betekenis voor de vraag of een betrokkene kan worden bevorderd.
4.4.
De slotsom luidt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Nu de aangevallen uitspraak en de bestreden beschikking in stand blijven wordt het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.

Beslissing

De Raad
  • bevestigtde aangevallen uitspraak;
  • wijsthet verzoek om veroordeling tot schadevergoeding
    af.
Aldus gegeven door mrs. M.C. Bruning voorzitter, J. Sybesma en L.J.J. Rogier, leden, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.