Appellant werkte vanaf 2003 als leerkracht en nam van 2011 tot april 2015 langdurig waar als directeur van een school. Na beëindiging van deze waarneming en een periode van non-actiefstelling werd hij formeel benoemd als leerkracht in vaste dienst, maar niet als directeur. Appellant betwistte dit via bezwaar en hoger beroep.
De Raad stelde vast dat alleen de Regering bevoegd is tot benoeming en dat de Minister slechts kon plaatsen op basis van het benoemingsbesluit. Het Gerecht had ten onrechte het bezwaar tegen het benoemingsbesluit niet meegewogen met het bezwaar tegen de plaatsing, waardoor appellant procesrechtelijk benadeeld werd.
De Raad oordeelde dat waarneming geen recht geeft op benoeming in die functie, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen. Hier was geen sprake van dergelijke omstandigheden: de waarneming was beëindigd, er was geen vacature en appellant kon niet functioneren als directeur. Ook een vermeende toezegging tot benoeming werd niet aannemelijk gemaakt.
Daarom verklaarde de Raad het bezwaar tegen het benoemingsbesluit en de plaatsingsbeslissing ongegrond. Het land Curaçao werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellant wegens procedurele fouten door de Regering.