ECLI:NL:OGHACMB:2026:79
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens betaling aan deurwaarder ondanks derdenbeslag
In deze zaak ging het om een geschil tussen een beslaglegger en een derdebeslagene over betalingen die de derdebeslagene had gedaan aan een debiteur ondanks een conservatoir derdenbeslag. De derdebeslagene had na het beslag nog betalingen rechtstreeks aan de debiteur gedaan, maar later betalingen aan de deurwaarder verricht. De deurwaarder droeg deze betalingen niet af aan de beslaglegger, maar aan de bewindvoerder van de debiteur.
De eerste rechter had de vordering van de beslaglegger toegewezen op grond van artikel 477a lid 4 Rv, stellende dat de derdebeslagene gehouden was tot vervangende schadevergoeding. Het Hof oordeelde echter dat de betalingen aan de deurwaarder bevrijdend waren tegenover de beslaglegger, ook al had de deurwaarder niet aan de beslaglegger betaald. Dit risico lag bij de beslaglegger.
Het Hof stelde vast dat de derdebeslagene uiteindelijk aan haar verplichtingen had voldaan en dat het totaal van de betalingen overeenkwam met het bedrag waarvoor beslag was gelegd. De vordering tot schadevergoeding werd daarom afgewezen en het vonnis van eerste aanleg vernietigd. De beslaglegger werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het Hof vernietigt het vonnis van eerste aanleg en wijst de vordering van de beslaglegger af omdat de betalingen aan de deurwaarder bevrijdend waren.