ECLI:NL:OGHACMB:2026:4

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
CUR2025H00240
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen griffierecht in civiele procedure over betaling van geldsom

In deze zaak heeft de naamloze vennootschap RBC Royal Bank N.V. verzet aangetekend tegen het griffierecht dat door de Griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in rekening is gebracht. RBC is in hoger beroep gekomen van een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin een deel van haar vordering tot betaling van een geldsom van Cg 34.826,85 was afgewezen. De Griffier had een griffierecht van Cg 2.580,- in rekening gebracht, gebaseerd op een vordering van Cg 129.000,-. RBC stelde dat het griffierecht ten onrechte was vastgesteld en verzocht om restitutie van een deel van het betaalde griffierecht. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 heeft de gemachtigde van RBC zijn standpunt toegelicht, terwijl de Griffier zich gerefereerd heeft aan het oordeel van het Hof. Het Hof heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat het griffierecht correct was vastgesteld op basis van de waarde van de vordering zoals deze in de vorige instantie aan de rechter was voorgelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat het verzet ongegrond is en heeft de beschikking op 13 januari 2026 uitgesproken.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR2025H00240
Uitspraak: 13 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G op een verzoek ex art. 36 Ltbz (verzet tegen griffierecht)
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK N.V.,
gevestigd te Curaçao,
verzoekster,
hierna: RBC,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
DE GRIFFIER VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE,
verweerder,
hierna: de Griffier,
vertegenwoordigd door T.M.A.D. de Lanoy.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van appel van 18 augustus 2025 is RBC in hoger beroep gekomen van het tussen RBC en [naam van de door RBC gedaagde] op 7 juli 2025 gewezen vonnis (CUR202500553) van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij op 29 september 2025 ingekomen memorie van grieven heeft RBC grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover de door RBC gevorderde kosten zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende deze kosten ad Cg 34.826,85 alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Sulbaran in de kosten van het hoger beroep.
1.3
Bij indiening van de memorie van grieven op 29 september 2025 bij het Hof, heeft de Griffier aan de gemachtigde van RBC voor het hoger beroep een griffierecht in rekening gebracht van Cg 2.580,-.
1.4
Op 1 oktober 2025 heeft mr. Braam namens RBC tijdig een verzetschrift ex artikel 36 Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Ltbz) ingediend en het Hof verzocht om, zo begrijpt het Hof, het verzet gegrond te verklaren en de griffer op te dragen om van het betaalde griffierecht Cg 1.080,- te restitueren.
1.5
Op 28 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Curaçao. De gemachtigde van RBC is verschenen en heeft het woord gevoerd. Namens de Griffier is T.M.A.D. de Lanoy verschenen. De Griffier heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.
1.6
Beschikking is nader bepaald op heden.

2.De beoordeling van het verzet

2.1
Het verzoekschrift bevat de klacht dat de Griffier bij de vaststelling van het griffierecht ten onrechte ervan is uitgegaan dat de zaak betrekking heeft op een vordering van Cg 129.000,- terwijl er slechts beroep wordt aangetekend tegen dat deel van de vordering dat in eerste aanleg is afgewezen (te weten Cg. 34.826,85). Op grond daarvan meent RBC dat het griffierecht dient te worden vastgesteld op
Cg 1.500,- (2 x Cg 750,-).
2.2
Vooropgesteld wordt dat in hoger beroep
zelfstandigmoet worden beoordeeld wat de hoogte van het griffierecht moet zijn (zie art. 121a Procesreglement 2023 en vgl. Gemeenschappelijk Hof 17 maart 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:41). De regeling van het griffierecht strekt ertoe dat de hoogte van het recht te relateren is aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak. Volgens de Hoge Raad moet voor de hoogte van het griffierecht worden aangeknoopt bij de vordering zoals deze in de vorige instantie aan de rechter voorlag (zie HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912).
2.3
Ingevolge art. 20 lid 7 Ltbz bedraagt het vast recht bij het Hof het tweevoud van het vast recht bij het Gerecht.
2.4
In de onderhavige zaak strekt de vordering tot “betaling van een bepaalde geldsom” in de zin van art. 20 lid 2 sub d., e. en f. Ltbz, te weten Cg 129.000,-. Bij de vaststelling van de hoogte van het griffierecht in hoger beroep is de Griffier klaarblijkelijk uitgegaan van de vordering van dat bedrag van Cg 129.000,- en heeft het tweevoud van het griffierecht in eerste aanleg geheven. Dat is juist. Dat RBC – logischerwijs – in beroep komt van het bestreden vonnis slechts voor zover haar vordering daarbij is afgewezen, doet daaraan niet af. Zij vermindert haar vordering immers niet, maar volhardt daarbij. Hierbij is nog daargelaten de omstandigheid dat de geïntimeerde incidenteel appel kan instellen waardoor de gehele vordering, inclusief het toegewezen gedeelte, in hoger beroep opnieuw ter beoordeling kan voorliggen.
2.5
Het voorgaande brengt mee dat het verzet ongegrond is.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, C.J.H.G. Bronzwaer, en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.