Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het verdere verloop van de procedure
De verdere beoordeling
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Partijen zijn in 2014 gescheiden en voeren diverse civiele procedures over vergoedingsrechten. Na cassatie en terugwijzing heeft het Hof in een tussenvonnis bewijsopdrachten gegeven om de omvang van de vergoedingsrechten vast te stellen.
De man stelt dat hij vanaf mei 2004 maandtermijnen heeft betaald, maar het Hof houdt vast aan de eerdere berekening vanaf april 2006, omdat het te laat is om de eis te verhogen. Het Hof acht voorshands aannemelijk dat een bedrag van Afl. 400.000 betrekking heeft op werkzaamheden aan de woning na 25 mei 2004, maar laat partijen toe bewijs te leveren dat dit bedrag hoger of lager is.
Beide partijen mogen getuigen oproepen; eerst de man, daarna de vrouw. Het Hof bepaalt dat de getuigenverhoren via videoverbinding plaatsvinden met de rechter en griffier op afstand. Verder wordt de beslissing aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.
Het Hof wijst erop dat het strafvonnis dwingend bewijs levert van een onrechtmatige daad van de man jegens de vrouw, die psychisch letsel heeft veroorzaakt. Tegenbewijs is alleen toegestaan over de omvang van de schade, niet over het bewezen feit zelf.
De uitspraak is gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 10 februari 2026.
Uitkomst: Het Hof geeft bewijsopdrachten en regelt getuigenverhoren om de omvang van vergoedingsrechten tussen gescheiden echtgenoten vast te stellen, met verdere beslissing aangehouden.