ECLI:NL:OGHACMB:2026:25

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AUA2017H00255
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:87 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdrachten in vergoedingsrechten tussen gescheiden echtgenoten na cassatie en terugwijzing

Partijen zijn in 2014 gescheiden en voeren diverse civiele procedures over vergoedingsrechten. Na cassatie en terugwijzing heeft het Hof in een tussenvonnis bewijsopdrachten gegeven om de omvang van de vergoedingsrechten vast te stellen.

De man stelt dat hij vanaf mei 2004 maandtermijnen heeft betaald, maar het Hof houdt vast aan de eerdere berekening vanaf april 2006, omdat het te laat is om de eis te verhogen. Het Hof acht voorshands aannemelijk dat een bedrag van Afl. 400.000 betrekking heeft op werkzaamheden aan de woning na 25 mei 2004, maar laat partijen toe bewijs te leveren dat dit bedrag hoger of lager is.

Beide partijen mogen getuigen oproepen; eerst de man, daarna de vrouw. Het Hof bepaalt dat de getuigenverhoren via videoverbinding plaatsvinden met de rechter en griffier op afstand. Verder wordt de beslissing aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.

Het Hof wijst erop dat het strafvonnis dwingend bewijs levert van een onrechtmatige daad van de man jegens de vrouw, die psychisch letsel heeft veroorzaakt. Tegenbewijs is alleen toegestaan over de omvang van de schade, niet over het bewezen feit zelf.

De uitspraak is gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 10 februari 2026.

Uitkomst: Het Hof geeft bewijsopdrachten en regelt getuigenverhoren om de omvang van vergoedingsrechten tussen gescheiden echtgenoten vast te stellen, met verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA201400118 –AUA2017H00255
Uitspraak: 10 februari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[DE VROUW],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. M.H.J. Kock,
tegen
[DE MAN],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
gemachtigden: mrs. H.U. Thielman en D.L. Carolina.
Partijen worden hierna opnieuw de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn in 2014 gescheiden. In dit geding hebben zij over en weer diverse vorderingen ingesteld.
In dit tweede tussenvonnis na cassatie en terugwijzing geeft het Hof bewijsopdrachten.

2.Het verdere verloop van de procedure

2.1
Bij vonnis van 12 augustus 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:207 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen.
2.2
Op 9 december 2025 hebben beide partijen een akte ingediend. Aan de akte van de vrouw zijn (bij tussenvonnis onder 3.62 opgevraagde) producties gehecht. De man heeft de opgevraagde producties aangeleverd in een usb-stick.
2.3
Vonnis is bepaald op vandaag.
3.
De verdere beoordeling
3.1
In het dictum van het tussenvonnis heeft het Hof bepaald dat na indiening van gelijktijdige akten gelegenheid zal worden geboden voor gelijktijdige antwoordakten. Bij nader inzien is dat niet nodig.
3.2
Het Hof heeft in rov. 3.5 van het tussenvonnis vordering a van de man weergegeven. Daarbij heeft het Hof overwogen dat de stellingen van de man erop neerkomen dat hij vanaf april 2006 maandtermijnen als daar weergegeven heeft betaald. Volgens de man is dit een kennelijk abuis van het Hof. Hij stelt dat hij vanaf mei 2004 maandtermijnen heeft betaald. Hij meent dat de maandtermijnen van vóór april 2006 moeten worden meegeteld.
3.3
De man heeft onder 5 en 6 van het inleidend verzoekschrift gesteld dat eind november 2007 de maandtermijn is verlaagd van Afl. 10.865 tot Afl. 7.402.
Onder 8 van het inleidend verzoekschrift heeft hij zijn vordering gespecificeerd als:
20 maanden x Afl. 10.865 + 100 maanden x Afl. 7.402 = Afl. 957.500.
De periode vanaf april 2006 tot en met november 2007 bestrijkt 20 maanden.
De man heeft dus niet voldoende duidelijk maandtermijnen gevorderd van vóór april 2006. Het zou in strijd met de eisen van een goede procesorde zijn om hem thans nog toe te laten om zijn eis met die maandtermijnen te vermeerderen.
Het Hof blijft dus bij de berekening als in het tussenvonnis gegeven.
3.4
Het voorgaande is overigens niet van belang, omdat vordering a sowieso niet kan worden toegewezen voor een hoger bedrag dan Afl. 713.891 (zie rov. 3.30 van het tussenvonnis).
3.5
Het heeft in rov. 3.13 van het tussenvonnis overwogen dat in dit geding na cassatie en terugwijzing als vaststaand heeft te gelden dat de vrouw de koopsom van Afl. 450.000 heeft betaald. Hetgeen de man in de akte na tussenvonnis hierover heeft aangevoerd, kan daarom niet meer in de beoordeling betrokken worden.
3.6
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.33 als volgt overwogen:
Ter beoordeling staat in hoeverre de hiervoor bedoelde uitgaven betrekking hebben op werkzaamheden aan de woning die verricht zijn na 25 mei 2004. Dat is lastig vast te stellen. Bij gebrek aan beter moet het Hof zijn toevlucht nemen tot een schatting, ook al gaat het hier niet om een schadebegroting, maar om de vaststelling van de hoogte van concrete geldstromen (vergelijk het in dit geval niet toepasselijke art. 1:87 lid 5 BW Pro). Mede gelet op het taxatierapport van Ace van 1 augustus 2004 (waarvan kennelijk twee versies bestaan) en de gestelde gang van zaken met de aannemers Eljo en Dysler, acht het Hof voorshands voldoende aannemelijk dat een bedrag van Afl. 400.000 betrekking heeft op werkzaamheden na 25 mei 2004. Hetgeen in middelonderdeel 2.7 is aangevoerd is onvoldoende voor een ander voorshands oordeel. De man zal desgewenst worden toegelaten te bewijzen dat het meer is; de vrouw zal desgewenst worden toegelaten tot tegenbewijs, hetgeen ook ertoe kan strekken dat het Hof uiteindelijk een lager bedrag voldoende aannemelijk zal achten (zie middelonderdeel 2.8).
3.7
De man heeft in verband met deze overweging te kennen gegeven dat hij getuigen wenst op te roepen ter zake van de omvang van het vergoedingsrecht. De vrouw heeft te kennen gegeven dat zij tegenbewijs wenst te leveren, onder meer middels het horen van getuigen. Het Hof zal partijen daartoe in de gelegenheid stellen, te beginnen met de getuigen zijdens de man.
3.8
In het tussenvonnis heeft het Hof onder 3.61 over vordering i als volgt overwogen:
Het strafvonnis levert dwingend bewijs op van het bewezen verklaarde feit. Tegenbewijs staat open. De man wordt verzocht zich uit te laten over de vraag of hij wenst te worden toegelaten tot tegenbewijs. Het bewezen verklaarde feit levert een onrechtmatige daad van de man jegens de vrouw op, die aan hem toerekenbaar is. Het is aannemelijk dat de vrouw psychisch letsel heeft opgelopen dat medische kosten heeft veroorzaakt. Indien de vrouw vóór de pleegdatum al psychische klachten had, doet dat er niet aan af. Alleen medische kosten die ook zouden zijn gemaakt als het bewezen verklaarde feit niet zou hebben plaatsgehad, moeten worden afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband.
3.9
De man heeft te kennen gegeven dat hij toelating tot tegenbewijs wenst, maar blijkens zijn toelichting ziet dat tegenbewijs niet op de vraag of hij het bewezen verklaarde feit heeft begaan (maar op het bestaan en de omvang van de daardoor veroorzaakte schade). De man zal daarom niet worden toegelaten tot tegenbewijs tegen het bewezen verklaarde feit. Na de getuigenverhoren zal het Hof nader oordelen over vordering i (zie onder 3.63 van het tussenvonnis).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
laat de man toe te bewijzen dat in de periode 12 mei 2003-9 april 2014 meer dan Afl. 40.000,- ten laste van zijn vermogen is uitgegeven ten behoeve van werkzaamheden aan de woning die verricht zijn na 25 mei 2004;
laat de vrouw toe tot tegenbewijs, hetgeen ook ertoe kan strekken dat het Hof uiteindelijk een lager bedrag dan Afl. 40.000,- voldoende aannemelijk zal achten;
bepaalt dat partijen, indien zij daartoe getuigen willen doen horen, deze kunnen voorbrengen op een nader te bepalen dag en uur voor mr. Lewin, waarbij de getuigen in een zittingszaal in Aruba zullen worden gehoord terwijl de rechter en de griffier op afstand vanuit Curaçao de verhoren afnemen via een videoverbinding;
bepaalt dat eerst de door de man voor te brengen getuigen zullen worden gehoord en daarna de door de vrouw voor te brengen getuigen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 10 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.