ECLI:NL:OGHACMB:2026:185

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
CUR2026H00138
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens procedurele beslissing om nadere stukken op te vragen

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen een rechter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie vanwege diens beslissing om nadere stukken op te vragen in strafzaken waarin zij betrokken zijn. De wraking werd aangevraagd omdat verzoekers meenden dat de rechter geen bevoegdheid had om het openbaar ministerie te instrueren nader onderzoek te verrichten na aanvang van de terechtzitting, wat volgens hen het recht op een eerlijk proces schond.

De wrakingskamer behandelde het verzoek na schriftelijke en mondelinge behandeling, waarbij ook de officier van justitie haar standpunt gaf. De wrakingskamer overwoog dat een wrakingsverzoek niet kan worden gebaseerd op procedurele beslissingen zoals het opvragen van nadere stukken, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Tevens is het gesloten stelsel van rechtsmiddelen van toepassing, waardoor motivering van procedurele beslissingen niet als grond voor wraking kan dienen, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Verzoekers konden geen uitzonderlijke omstandigheden aantonen die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer concludeerde daarom dat het wrakingsverzoek niet slaagt en wees het af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen omdat de procedurele beslissing van de rechter geen grond voor wraking vormt en er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Zaaknummer: CUR2026H00138
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Wrakingskamer
gegeven op het verzoek van:
1. [verzoeker 1],gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,

2. [verzoeker 2],

gemachtigde: mr. A.C. Herrera,
hierna: verzoekers,
tot wraking van:
mr. M.C.B. Hubben,
lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten
en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Ter terechtzitting op 22 mei 2026 bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) in de strafzaken tegen verzoekers (parketnummers 500.00330/23: [verzoeker 1] en 500.00329/23: [verzoeker 2]) (hierna: de hoofdzaken) hebben verzoekers bij monde van hun gemachtigden de wraking verzocht van de rechter. De rechter en de griffier hebben daarvan een proces-verbaal opgesteld.
1.2.
Bij e-mailbericht van 26 mei 2026 heeft de rechter de wrakingskamer
bericht dat zij niet in de wraking berust. Bij e-mailbericht van 28 mei 2026 heeft de rechter schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.
1.3.
Op 29 mei 2026 heeft de officier van justitie in de hoofdzaken, mr. M. Dennaoui-Simon (hierna: de officier van justitie), schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.
1.4.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Mr. Herrera (middels videoverbinding) en mr. Lie Atjam zijn namens hun cliënt verschenen. Verder is de officier van justitie verschenen. Mr. Herrera en mr. Lie Atjam hebben het standpunt van verzoekers aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen nader toegelicht. Mr. Herrera heeft tijdens de mondelinge behandeling nog een e-mailbericht van 21 mei 2026 aan de wrakingskamer toegezonden.
1.5.
De wrakingskamer heeft bepaald dat de beslissing op het wrakingsverzoek uiterlijk op 8 juni 2026 zal worden uitgesproken.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Op 22 mei 2026 stond de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaken gepland. Op 13 mei 2026 heeft de griffier van het Gerecht namens de rechter een e-mailbericht toegezonden aan de officier van justitie, met mrs. Herrera en Lie Atjam in CC. In die e-mail wordt meegedeeld (kort gezegd) dat de informatie in bepaalde processen-verbaal die zich in het dossier van de hoofdzaken bevinden, summier en onvolledig is. In het e-mailbericht wordt verzocht om een proces-verbaal op te laten maken waarin specifieke, door de rechter verzochte informatie over de hoofdzaken wordt opgenomen, om op 22 mei 2026 een aanhouding van de behandeling ter terechtzitting te voorkomen. Gevraagd wordt of het mogelijk is het proces-verbaal uiterlijk op 21 mei 2026 om 14.00 uur gereed te maken.
2.2.
Volgens verzoekers heeft de rechter, anders dan de rechter-commissaris, geen bevoegdheid om het openbaar ministerie instructies te geven om nader onderzoek te verrichten, omdat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen. Door meer onderzoek te gelasten en te verzoeken hiervan een proces-verbaal op te maken, waarbij op specifieke punten om aanvulling is gevraagd, heeft de rechter het openbaar ministerie de gelegenheid gegeven zijn stukken aan te vullen. Dat is in strijd met het in artikel 6 EVRM Pro neergelegde beginsel van het recht op een eerlijk proces, zo menen verzoekers.
2.3.
De rechter heeft het betoog van verzoekers gemotiveerd bestreden.
2.4
De reactie van de officier van justitie strekt tot ongegrond verklaring van het wrakingsverzoek.

3.De beoordeling

3.1.
Een verzoek tot wraking moet zo spoedig mogelijk na het bekend worden van de wrakingsgronden worden ingediend, mede omdat
een wrakingsverzoek een incident is in de hoofdzaak die niet onredelijk mag worden vertraagd. De aanleiding tot het wrakingsverzoek is de inhoud van de e-mail van 13 mei 2026. Op de mondelinge behandeling bij de wrakingskamer is naar voren gekomen dat mr. Herrera en mr. Lie Atjam niet inhoudelijk op het e-mailbericht van 13 mei 2026 hebben gereageerd. Op 15 mei 2026 heeft mr. Herrera de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen aan zijn cliënt voorgelegd. Op 21 mei 2026, de dag voor de inhoudelijke behandeling, heeft hij definitief besloten een wrakingsverzoek in te dienen en op die dag hebben mrs. Herrera en Lie Atjam daar ook samen over gesproken. De dag erna is op de zitting onmiddellijk na de aanvang een wrakingsverzoek ingediend. Daargelaten of dat tijdig is gedaan (niet tijdigheid zou leiden tot niet-ontvankelijkverklaring) overweegt de wrakingskamer dat het wrakingsverzoek niet slaagt op grond van het volgende.
3.2
De beslissing van de rechter om nadere stukken op te vragen is een procedurele beslissing die als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer die over het wrakingsverzoek moet oordelen komt geen oordeel toe over de juistheid van de beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.3.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er evenzeer tegen dat de motivering van de procedurele beslissing grond kan vormen voor wraking, ook als het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of zelfs om het ontbreken van een motivering. Dit is alleen anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die deze heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Verzoekers hebben geen uitzonderlijke omstandigheden aangedragen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekers ontstane vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek afwijzen.

4.Beslissing

De wrakingskamer:
wijst het verzoek af;
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan
verzoekers, de belanghebbenden en aan de rechter.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, N.M. Martinez en H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, bijgestaan door mr. N.M. Blom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.