Uitspraak
,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Verzoekster stelde derdenverzet in tegen een eerder vonnis van het Hof waarin werd bepaald dat de woning, waarin zij met haar echtgenoot en minderjarige dochter woont, verkocht moet worden. Dit vonnis betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen tussen haar echtgenoot en zijn eerste echtgenote.
Het Hof oordeelde dat verzoekster niet in het oorspronkelijke geding was betrokken en dus bevoegd was tot derdenverzet. Desondanks werd het verzoek afgewezen omdat het Hof al rekening had gehouden met de belangen van verzoekster, waaronder haar investeringen in de woning en haar economische belangen.
De verkoop aan een derde werd als de beste oplossing gezien, mede omdat de echtgenoot geen financiering kon verkrijgen om de woning uit te kopen. Het belang van verzoekster en haar dochter om in de woning te blijven werd erkend, maar woog minder zwaar dan het belang van geïntimeerde om niet in een onverdeelde boedel te blijven.
Verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof en is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het derdenverzet van verzoekster wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.