ECLI:NL:OGHACMB:2026:177

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
CUR2025H00019
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 264 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding appeltermijn

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van het Gerecht, uitgesproken op 9 december 2024. Het hoger beroep werd ingediend op 21 januari 2025, terwijl de beroepstermijn zes weken bedroeg en derhalve op 20 januari 2025 eindigde.

Het Hof heeft vastgesteld dat de akte van hoger beroep te laat is ingediend, aangezien deze op 21 januari 2025 ter griffie is ontvangen en niet op de laatste dag van de termijn. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de strikte termijntoepassing rechtvaardigen, zoals een fout van het gerecht waardoor appellant niet tijdig op de hoogte was van het vonnis.

Daarom verklaart het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het Land Curaçao, bestaande uit verschotten en salaris gemachtigde, vermeerderd met wettelijke rente. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202401643 en CUR2025H00019
Uitspraak: 30 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in Nederland,
in eerste aanleg eiser,
thans appellant,
gemachtigde: mr. H.S. Johannes,
tegen
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curacao,
in eerste aanleg gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. C.A. Peterson.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en het Land.

1.De zaak in het kort

In deze zaak oordeelt het Hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 21 januari 2025 ingekomen akte is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 9 december 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 6 maart 2025 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] één grief aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog het Land veroordeelt tot betaling van wat verschuldigd is met veroordeling van het Land in de kosten van de procedure in beide instanties. Ook heeft [appellant] de eis vermeerderd.
2.3
Het Land heeft op 26 mei 2025 een memorie van antwoord ingediend. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht bevestigt met veroordeling van [appellant], in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en de wettelijke rente daarover.
2.4
Op de daarvoor bepaalde dag hebben de advocaten van beide partijen pleitnotities ingediend.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.1.1 Navraag bij de griffie heeft geleerd dat mr. Johannes het vonnis waarvan beroep op 9 december 2024 heeft ontvangen. De beroepstermijn is dus op die dag aangevangen.
3.1.2 Dat betekent dat de laatste dag van de beroepstermijn (zes weken, gerekend vanaf de dag van de uitspraak, artikel 264 lid 1 Rv Pro) maandag 20 januari 2025 was, zijnde zes weken na 9 december 2024. Blijkens het door de griffier op de akte van hoger beroep geplaatste stempel is die akte (hoewel door de advocaat van [appellant] gedateerd op 20 januari 2025) op dinsdag 21 januari 2025 ter griffie ingediend. De gemachtigde van [appellant] noemt in zijn memorie van grieven 21 januari 2025 ook als datum van indiening van de akte van appel. Dat was dus te laat. Navraag bij de griffie heeft opgeleverd dat op 20 januari 2025 ook geen akte van appel per fax of mail is ontvangen en dat de griffie op die datum wel open was.
3.1.3 Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging dient duidelijkheid te bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden en slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering. Een uitzondering moet, bijvoorbeeld, worden aanvaard indien degene die beroep instelt, als gevolg van een door (de griffie van) het gerecht begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingesteld (HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1401). Die situatie doet zich hier echter niet voor.
3.1.4 De conclusie moet dan ook zijn dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep nu de beroepstermijn is overschreden.
3.1.5 [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van het Land gevallen. Die kosten worden begroot op:
- verschotten Cg 375,93 (betekening memorie van antwoord)
- salaris gemachtigde Cg 5.000 (2,5 punt à Cg 2.000 per punt, tarief 5)
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure aan de zijde van het Land gevallen en begroot deze op Cg 375,93 aan verschotten en Cg 5.000 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag van de betaling en het nasalaris van
Cg 250 vermeerderd met Cg 150 in geval van betekening;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.