AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Belemmering uitzicht op zee door parasols en beplanting bij appartementen in Curaçao
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen appartementseigenaren over de belemmering van het uitzicht op zee vanuit hun terrassen en houten dekken. De Stichting, als erfpachter van het resort, en de Vereniging van Eigenaren (VvE) hebben regels gesteld die het uitzicht moeten beschermen. Het geschil concentreert zich op het uitzicht van appartement [4] van geïntimeerde 1, dat wordt belemmerd door parasols en beplanting op het aangrenzende appartement [5] van appellanten.
Het Hof heeft vastgesteld dat het plaatsen van parasols op het houten dek van appartement [5] het uitzicht van appartement [4] onrechtmatig belemmert en bevestigt het verbod daarop. De onbewezen toestemming van de VvE aan eerdere eigenaren doet hieraan niet af. Daarnaast is de beplanting langs het terras en dek te hoog en te breed, waardoor het uitzicht eveneens wordt belemmerd. Het Hof wijzigt het vonnis door appellanten te veroordelen de beplanting terug te snoeien tot specifieke hoogtes en breedtes, zoals nader gespecificeerd.
Het Hof weegt het belang van geïntimeerde 1 bij een onbelemmerd uitzicht zwaarder dan het belang van appellanten bij het gebruik van parasols. Ook het feit dat de appartementen zonneschermen hebben, ondersteunt dit oordeel. De overige vorderingen worden bevestigd of afgewezen zoals in eerste aanleg. Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving van de beplantingsmaatregelen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis van eerste aanleg behalve voor de beplanting, die moet worden teruggesnoeid om het uitzicht te vrijwaren, en veroordeelt appellanten in proceskosten en dwangsom.
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202303336 en CUR2024H00177
Uitspraak: 16 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van
1.[APPELLANT 1]en
2. [APPELLANTE 2],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagden, nu appellanten,
gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie,
tegen
1.[GEÏNTIMEERDE 1] en
2. STICHTING PARTICULIER FONDS [GEÏNTIMEERDE 2],
wonend en gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eisers, nu geïntimeerden,
gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers.
Partijen worden hierna gezamenlijk [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd, en afzonderlijk [appellant 1], [appellante 2], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2].
1. Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 29 juli 2024 ingekomen akte van appel zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen (onder meer) partijen gewezen en op 24 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
1.2
Bij op 9 september 2024 ingekomen memorie van grieven, met producties 1 t/m 27, hebben [appellanten] grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de juiste beslissingen zal nemen met inachtneming van de nieuwe ontwikkelingen, [geïntimeerden] zal verbieden enige dwangsom te incasseren, en zal bepalen dat [appellanten] de kosten van betekening van het bestreden vonnis niet verschuldigd zijn, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
1.3
Bij op 12 november 2024 ingekomen memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties 24 t/m 29, hebben [geïntimeerden] en [ex-eigenaar 3] (hierna: [ex-eigenaar 3]) de grieven van [appellanten] bestreden en zelf drie grieven tegen het vonnis opgeworpen. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van [appellanten] zal verwerpen, het vonnis zal vernietigen en alle vorderingen van [geïntimeerden] alsnog volledig zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
1.4
Bij op 17 januari 2025 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel appel tevens eisvermeerdering in principaal appel, met producties 28 t/m 35 hebben [appellanten] de grieven van [geïntimeerden] bestreden en gevorderd dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom [geïntimeerden] zal bevelen om zaken te verwijderen, met hun veroordeling in de kosten.
1.5
Op de zitting van het Hof van 5 mei 2025 is [appellant 1] verschenen voor [appellanten] en [geïntimeerde 1] voor [geïntimeerde 1] c.s, beiden met hun gemachtigden, die aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen de standpunten hebben toegelicht. Vooraf hebben [appellanten] de producties 36 t/m 48 toegezonden. Partijen hebben ook vragen van het Hof beantwoord.
1.6
Na de zitting heeft het Hof ter plaatse het uitzicht vanuit buitenruimten van de appartementen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] en de belemmeringen daarvan bekeken, en met partijen de mogelijkheden van een minnelijke regeling onderzocht. Daarbij waren de onder 1.5 genoemde personen aanwezig.
1.7
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
2.1
Feiten
2.1.1
De stichting [naam] (verder: de Stichting) is in 1994 opgericht en is erfpachter van een aan zee gelegen, bebouwd terrein aan de zuidkust van Curaçao (verder: het resort). In de statuten van de Stichting staat dat het bestuur bevoegd is bij huishoudelijk reglement nadere regels te stellen. Van die bevoegdheid heeft het bestuur van de Stichting gebruik gemaakt.
2.1.2
Op het resort staan diverse gebouwen, waaronder een gebouw aangeduid als en verder te noemen Gebouw [X]. Gebouw [X] is bij akte van 4 januari 1996 (verder: de splitsingsakte) gesplitst in appartementsrechten, genummerd [1] t/m [8]. Daarbij is een Vereniging van Eigenaren van Gebouw [X] opgericht (verder: de VvE). Bij de levering hebben de kopers van de appartementsrechten zich gebonden aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de Stichting en aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de VvE, waarvan huisregels deel uitmaken.
2.1.3 [
[geïntimeerde 2] is eigenaar van [2], [geïntimeerde 1] is eigenaar van [4] en [appellanten] zijn eigenaar van [5]. Hieronder is de ligging van de appartementen ten opzichte van elkaar te zien:
[plaatje]
2.1.4
Aan de achterzijde (de zeezijde) hebben elk van de appartementen direct na de schuifdeur naar buiten over de volle breedte van het appartement een betegeld terras, verder: het (stenen) terras. De stenen terrassen zijn fysiek van elkaar gescheiden door een betonnen kolom waarop de ca. 50 cm hoge balustraden uitlopen en behoren bij de ruimten waarvan de appartementseigenaren volgens de splitsingsakte het uitsluitend gebruik hebben. Aansluitend aan de ca. 50 cm hoge balustrade langs de zeezijde van de stenen terrassen is over de volle breedte van elk stenen terras een aangrenzend terras van houten planken aangelegd, een hoger liggend gedeelte aan de zijde van het stenen terras, en een lager liggend gedeelte aan de zijde van het water, door partijen ook steigers genoemd en hier verder: het (houten) dek.
2.1.5
De houten dekken zijn per appartement fysiek van elkaar gescheiden door erfafscheidingen, zoals een bloembak of een lage schutting. De houten dekken maken geen deel uit van hetgeen bij de splitsingsakte van Gebouw [X] is gesplitst, maar wel van hetgeen de Stichting in erfpacht heeft. De Stichting laat deze houten dekken exclusief door de appartementseigenaren gebruiken alsof ze deel uitmaken van het gesplitste gebouw en er zijn (al dan niet concrete) voornemens om de dekken aan de desbetreffende appartementseigenaren over te dragen.
2.1.6
Recht achter de appartementen ligt een deel van [complex], dat het uitzicht op zee belemmert. Als men vanaf terras of dek naar links kijkt, heeft men uitzicht op een strandje en een toegang naar zee. Dat strandje en die toegang naar zee zijn voor appartement [1] het verste weg en voor appartement D64 het dichtste bij. Het uitzicht daarop is in dit geding aan de orde.
De ligging van terrassen en dekken is te zien op deze, vanaf het stenen terras van [5] gemaakte, foto van het (vanaf zee bezien) rechts daarvan gelegen [6]:
[plaatje]
2.2
Beoordeling door het Hof
Omvang van het geschil in hoger beroep en beslissingen van het Gerecht
2.2.1
In eerste aanleg procedeerde [ex-eigenaar 3] (als toenmalige eigenaar van [3]) mee aan de zijde van [geïntimeerden] Het incidenteel hoger beroep is mede door [ex-eigenaar 3] ingesteld. Bij de pleitzitting in hoger beroep heeft mr. Nagelmakers meegedeeld dat [ex-eigenaar 3] haar appartementsrecht heeft verkocht en daarom geen procesbelang meer heeft.
Mr. Doekhie heeft dat bevestigd. Daarom wordt het principaal appel geacht niet langer mede te zijn gericht tegen [ex-eigenaar 3] en wordt het incidenteel appel voor zover ingesteld door [ex-eigenaar 3] geacht te zijn ingetrokken, zonder dat partijen in dat verband aanspraak maken op een proceskostenveroordeling. Het Hof laat de positie van [ex-eigenaar 3] dan ook verder buiten beschouwing.
2.2.2
Zoals het Hof op de zitting aan partijen heeft voorgehouden, waren [appellanten] in eerste aanleg geen eisers zodat er in hoger beroep geen eis te vermeerderen valt, en kan een eis in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld (art. 280 lid 1 RvPro). Welke van beide [appellanten] bedoeld hebben kan in het midden blijven; het Hof komt niet toe aan beoordeling van hun vermeerdering van eis of eis in reconventie.
2.2.3
Het ging er in eerste aanleg om of het uitzicht voor de gebruikers van de terrassen en dekken van appartementen [2] van [geïntimeerde 2] en [4] van [geïntimeerde 1] onrechtmatig werd belemmerd door de inrichting en afscheiding van de terrassen en dekken van de aangrenzende appartementen [3] en [5]. Het uitzicht vanuit [2] werd slechts (in relevante mate) belemmerd door de inrichting en afscheiding van [3], dat eigendom is geworden van een derde die geen partij is in deze procedure. Die belemmering is geen onderwerp meer van dit geschil. Het gaat het er in dit hoger beroep dus slechts om in hoeverre het uitzicht vanaf [4] van [geïntimeerde 1] onrechtmatig wordt belemmerd door de inrichting en afscheiding van [5] van [appellanten]
2.2.4
Het Gerecht heeft (rov. 4.12) de vorderingen van [geïntimeerden] onderscheiden in negen door het Gerecht genummerde onderdelen. Deze nummering volgt het Hof hierna. [appellanten] hebben kort na de datum van het vonnis voldaan aan de volgende, door het Gerecht (dictum rov. 5.1. tweede, derde, vierde en vijfde gedachtestreepje) toegewezen vorderingen:
2. verwijdering feestverlichting in bloempotten en parasol enz.
5. verwijderen houten afscheiding steiger
6. houten afscheiding terras terugbrengen in oorspronkelijke staat
7. verwijderen louvres
8. verwijderen bamboe afscheiding
[appellant 1] heeft bij de plaatsopneming verklaard dat [appellanten] er geen behoefte aan hebben om deze verwijderde of veranderde zaken nu of in de toekomst opnieuw aan te brengen of terug te brengen in de staat van voor het vonnis. Dit betekent dat zij thans geen voldoende belang meer hebben bij hun verweer en grieven tegen toewijzing. Het Hof zal het vonnis daarom wat dit betreft bevestigen.
2.2.5 [
geïntimeerden] hebben bij de plaatsopneming te kennen gegeven geen belang meer te hechten aan hun vorderingen op de volgende onderdelen:
4. beplanting terras en steiger verwijderen voor zover het geen zeedruif is
9. verwijderen camera
Gelet hierop zal het Hof wat betreft de afwijzing van deze vorderingen het vonnis van het Gerecht (dictum rov. 5.5) bevestigen.
2.2.6
De onderdelen van de oorspronkelijke vordering waarover het Hof nog moet oordelen zijn aldus, nog steeds in de nummering van rov. 4.12 van het bestreden vonnis:
1. verwijdering parasols op terras en steiger
3. beplanting beide kanten van terras en steiger snoeien tot 150 cm/50 cm.
Verwijderen en verwijderd houden parasols op het houten dek
2.2.7
Bij de bezichtiging door het Hof is gebleken dat verwijdering van parasols op het stenen terras geen geschilpunt (meer) is. Aan de achtergevel van Gebouw [X] is bij elk appartement een uitrolbaar zonnescherm bevestigd. Daarom is het aldaar plaatsen van parasols doelloos en hoeft dit niet te worden verboden.
2.2.8
De in het bestreden vonnis aangehaalde bepalingen van het huishoudelijk reglement en de huisregels van de VvE en het huishoudelijk reglement van de Stichting hebben, elk afzonderlijk en in samenhang gelezen, onder meer tot doel om te voorkomen dat de eigenaren van de appartementen - ook wanneer zij de formeel niet tot de privégedeelten van hun appartementsrecht behorende houten dekken gebruiken - te veel hinder voor de gebruikers van de belendende appartementen veroorzaken.
2.2.9
Dit geldt in algemene termen voor het huishoudelijk reglement van de Stichting dat heeft gegolden tot 25 juli 2022 (productie 18 van [appellanten]) en in specifieke termen voor het met ingang van die datum geldende huishoudelijk reglement (productie 19 van [appellanten]). Artikel 4 vanPro dat nieuwe huishoudelijk reglement, van toepassing op de houten dekken gebouwd op de ongesplitste grond van het resort, bepaalt:
1.The view from terraces or balconies over ocean, lagoon, gardens and pool should always be obstruction free. This must be considered when planting and pruning, so that the building appearance is in accordance with the resort appearance and unobstructed views for all owners/residents are always guaranteed. This also counts for hanging to dry any laundry, towels, and other garments.
Het Gerecht heeft met juistheid overwogen (rov. 4.10) dat bij de uitleg van onder meer dit beding doorslaggevend gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de woorden, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de regels. Anders dan [appellanten] menen, bevat dit artikel niet slechts (in de tweede zin) de aanwijzing om bij planten en snoeien rekening te houden met het uitzicht van de buren maar strekt het verbod om dat uitzicht te belemmeren zich, blijkens de eerste zin, uit tot elk gebruik of inrichting van de terrassen en de dekken.
2.2.10
Artikel 9 vanPro de huisregels voor eigenaren/bewoners en huurders van Gebouw [X] (versie 23 februari 2008, productie 17 van [geïntimeerden]) bepaalt:
Het plaatsen van zonneschermen en/of Parasols op de dekken is volgens het huishoudlijk reglement niet toegestaan. Een ieder dient rekening te houden met vrij uitzicht - zonder storende elementen - voor alle bewoners.
De versie van de huisregels van Gebouw [X] die is overgelegd als productie 16 bij conclusie van antwoord vermeldt niets over het uitzicht. Anders dan [appellanten] menen, is echter artikel 9 vanPro de huisregels van 2008 van toepassing (gebleven) door het besluit daartoe in de algemene ledenvergadering van de VvE van 12 maart 2022 (productie 18 van [geïntimeerden]). Het Gerecht heeft dit in rov. 2.8 en 4.6 van het bestreden vonnis met juistheid overwogen en beslist.
2.2.11
Het Hof heeft bij de plaatsopneming vastgesteld dat een parasol op het houten dek van [5]– in het bijzonder een uitgeklapte parasol van een hoogte en diameter die nodig zijn om eronder met een aantal personen in de schaduw te staan en liggen en van een constructie en gewicht die nodig zijn om wegwaaien te voorkomen - het uitzicht vanaf het terras en vooral vanaf het dek van [4] zal belemmeren. Het op het houten dek van [5] plaatsen van parasols is dan ook een overtreding van de onder 2.2.9 en 2.2.10 geciteerde, ook in de verhouding tussen [geïntimeerde 1] en [appellanten] toepasselijke regels.
2.2.12
De onbewezen toestemming van de VvE aan de eerste eigenaren voor het plaatsen van parasols, waar [appellanten] zich op beroepen, doet hier niet aan af omdat (indien die toestemming is gegeven) daarmee slechts een persoonlijk recht is verleend waaraan nieuwe eigenaren niet zijn gebonden. (Het voornemen tot) overdracht van de dekken aan de appartementseigenaren doet hier evenmin aan af omdat niet is gebleken dat zo’n overdracht aan [appellanten] tot gevolg heeft dat zij ontslagen zijn uit het verbod om het uitzicht van [geïntimeerde 1] te belemmeren.
2.2.13
Het belang van [geïntimeerde 1] bij een onbelemmerd uitzicht weegt zwaarder dan het belang van [appellanten] dat hun huurders zich door middel van parasols tegen de zon kunnen beschermen. Het is niet gebleken dat die huurders daar behoefte aan hebben. Bovendien hebben de appartementen een zonnescherm (zie 2.3.7) dat voldoende bescherming biedt tegen zon. Een bij de plaatsopneming gesuggereerde afspraak tussen partijen om op de dekken te plaatsen parasols gedurende bepaalde delen van de dag ingeklapt te houden, biedt geen oplossing. Partijen zouden voor de nakoming van zo’n afspraak op hun huurders zijn aangewezen, jegens wie handhaving nagenoeg onmogelijk zal zijn.
2.2.14
Het hof zal het vonnis ook op dit onderdeel bevestigen.
Beplanting langs terras en dek
2.2.15
Het onder 2.2.9 geciteerde artikel 4 vanPro het huishoudelijk reglement van de Stichting bepaalt met zoveel woorden dat bij het zetten en snoeien van planten rekening moet worden gehouden dat het uitzicht van terrassen en balkons onbelemmerd moet zijn. Het verbod om - ook door beplanting - het uitzicht van de buren te belemmeren is voorts begrepen in het gebod van het onder 2.2.10 geciteerde artikel 9 vanPro de huisregels om rekening te houden met vrij uitzicht voor alle bewoners.
2.2.16
Het feit dat, zoals overwogen onder 2.2.9, bij de uitleg van deze bedingen doorslaggevend gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de woorden neemt niet weg dat bij het antwoord op de vraag in hoeverre naleving van de regels van [appellanten] gevergd kan worden, de plaatselijke omstandigheden betrokken moeten worden.
2.2.17
In dit geval is van belang de omstandigheid dat de beplanting langs het terras - waar de zichtlijn toch al beperkt is - niet alleen het uitzicht van [geïntimeerden] beperkt maar [appellanten] ook vrijwaring van inkijk op hun terras biedt. Op het terras van [appellanten] staat (net als op het terras van [geïntimeerde 1]) een eettafel. Het belang om daar gevrijwaard te zijn van inkijk door de buren weegt zwaar. Dat belang wordt kleiner, en het belang bij vrij uitzicht wordt groter, waar de zichtlijnen langer worden en het terras overgaat in het dek. Deze omstandigheden brengen mee dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van [appellanten] - daarover waren partijen het bij de bezichtiging ook eens - niet meer kan worden gevergd dan in de volgende overweging verwoord en verbeeld.
2.2.18
De beplanting langs het terras wordt over een breedte van 90 cm teruggebracht tot en gehouden op een hoogte van 170 cm. Vanaf het punt gelegen 90 cm vanaf de kopse kant van de zijmuur van het appartement wordt de beplanting langs een rechte diagonale lijn over een breedte van 60 cm teruggesnoeid totdat deze op het punt gelegen (90 + 60 =) 150 cm van die muur een hoogte van 80 cm heeft bereikt. Verderop langs de erfgrens, langs het restant van het terras en het dek, wordt de beplanting teruggesnoeid tot en gehandhaafd op deze hoogte van 80 cm. Eén en ander zoals weergegeven op deze, bij de bezichtiging gemaakte, schets:
[plaatje]
Slotsom
2.2.19
Het Hof vernietigt het vonnis voor zover daarin vordering 3 van [geïntimeerde 1], om de beplanting langs het terras en het dek te snoeien, is afgewezen, doet in zoverre opnieuw recht zoals hierboven onder 2.3.17 verwoord, en bevestigt het vonnis voor het overige.
2.2.20 [
appellanten] zijn hiermee, zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, die wordt veroordeeld in de hierna te specificeren proceskosten van [geïntimeerden] Het gemachtigdesalaris voor het pleidooi wordt toegerekend aan het principaal appel, het gemachtigdesalaris voor de plaatsbezichtiging aan het incidenteel appel. Het Hof ziet geen grond om de kosten van betekening van het bestreden vonnis voor rekening te brengen van [geïntimeerden], die met het oog op de dwangsommen terecht voor spoedige betekening hebben gekozen (nog los van de omstandigheid dat een proceskostenveroordeling volgens vaste rechtspraak ook een executoriale titel voor de nakosten oplevert; zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853). Er is evenmin grond (aangevoerd) om [geïntimeerden] te verbieden dwangsommen te innen als de veroordeling niet wordt nageleefd.
B E S L I S S I NG
Het Hof:
bevestigt het tussen [geïntimeerden] en [appellanten] gewezen en op 24 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao met uitzondering van de afwijzing van de vordering van [geïntimeerden] om [appellanten] te veroordelen de beplanting van het terras en de steiger te verwijderen;
vernietigt het vonnis op dat onderdeel en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:
veroordeelt [appellanten] om de beplanting langs het terras over een breedte van 90 cm terug te brengen tot en te houden op een hoogte van 170 cm en de beplanting vanaf het punt gelegen 90 cm vanaf de kopse kant van zijmuur van het appartement langs een rechte diagonale lijn over een breedte van 60 cm terug te snoeien totdat de beplanting op het punt gelegen 150 cm van die muur een hoogte van 80 cm heeft bereikt, en verderop langs de erfgrens de beplanting terug te snoeien tot en te houden op deze hoogte van 80 cm;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van een dwangsom van Cg 100 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoen, met een maximum van Cg 10.000;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk - aldus dat wanneer één van hen betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling is bevrijd - in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen, tot de uitspraak van dit vonnis in het principaal appel begroot Cg 3.000 aan salaris gemachtigde en in het incidenteel appel op Cg 2.000 aan salaris gemachtigde, in het geval dat de gemachtigde van [geïntimeerden] die van [appellanten] moet aanschrijven tot betaling te vermeerderen met de nakosten van Cg 250 aan salaris gemachtigde, en in het geval dat vervolgens dit vonnis moet worden betekend te vermeerderen met de kosten van dat exploit, alles bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na dit vonnis tot die van de voldoening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.P. van Unen, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.