Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:159

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
AUA2024H000119
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over tekortkoming verhuurder en schadevergoeding bij verkoop garagebedrijf

Deze zaak betreft de afwikkeling van de verkoop van een garagebedrijf en de gevolgen van een tekortkoming door de hoofdverhuurder. De hoofdverhuurder betaalde niet de volledige huur aan de eigenaar van de grond en verhuurde het pand in strijd met het verbod op onderverhuur aan de onderhuurder. Dit leidde tot opzegging van de huurovereenkomst door de curator van de eigenaar en ontruiming door de onderhuurder.

Het Gerecht in eerste aanleg had de vorderingen van partijen gedeeltelijk toegewezen en het Hof bevestigt dit vonnis. Het Hof oordeelt dat de hoofdverhuurder tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen, met name door onvoldoende huur te betalen en verboden onderverhuur toe te passen. Hierdoor ontstond het risico dat de huurovereenkomst niet zou worden voortgezet, wat ook gebeurde.

De onderhuurder mocht daarom de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden en heeft recht op schadevergoeding, waaronder verhuiskosten en voorgeschoten bedragen. De door de onderhuurder aan de hoofdverhuurder verschuldigde bedragen worden verminderd met deze schadeposten. Het Hof wijst de grieven van de appellant af en veroordeelt hem in de proceskosten van de geïntimeerden.

Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis dat de verhuurder tekort is geschoten en veroordeelt appellant tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202302398 – AUA2024H000119
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
thans appellant,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
tegen

1. [geїntimeerde 1],

h.o.d.n. Garage Auto West,
gevestigd in Aruba,

2. [geїntimeerded 2],

wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. A.M. Wever.
Partijen worden hierna [appellant] en [geїntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

Dit geding betreft de afwikkeling van de verkoop van een garagebedrijf. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht) heeft in het vonnis van 3 april 2024 (ECLI:NL:OGEAA:2024:57) de vorderingen van partijen over en weer gedeeltelijk toegewezen. Het Hof bevestigt dat vonnis.

2.Het verloop van de procedure

2.1 [
appellant] heeft met een op 15 mei 2024 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. Op 26 juni 2024 heeft hij een memorie van grieven (met producties) ingediend.
2.2 [
geїntimeerden] hebben geen memorie van antwoord ingediend.
2.3
Op de zitting van het Hof van 9 december 2025 hebben beide partijen pleitnotities overgelegd. Het Hof heeft daarop bepaald dat het vonnis zal wijzen.

3.De beoordeling

De vaststaande feiten
3..1.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. Daarbij is rekening gehouden met wat door [appellant] in grief 1 is gesteld.
3.1.2 Tot 2019 dreef [bedrijf] (verder: [bedrijf]) de onderneming waarvan [appellant] de directeur en enig aandeelhouder is. Het betrof een autogarage. [appellant] was als monteur werkzaam in die garage. De grond waarop [bedrijf] het bedrijf uitoefende werd door haar, sedert 1 januari 2016, gehuurd van Codemsa. De huurprijs bedroeg Afl. 1.000 per maand.
3.1.3 Tussen [bedrijf] en [geїntimeerden] is op 16 april 2019 een door hen als “huurkoopovereenkomst” aangeduide overeenkomst gesloten (verder: de overeenkomst). Daarbij zijn door [bedrijf] aan [geїntimeerden] verkocht het garagegebouw, alle machines en de handelsnaam. In de overeenkomst is, voor zover van belang, ook opgenomen:
- dat de grond door [bedrijf] wordt gehuurd van Codemsa (considerans);
- dat [geїntimeerden] maandelijks Afl. 2.250 aan [bedrijf] moeten betalen en dat Afl. 1.250 daarvan wordt aangewend voor de maandelijkse huurbetaling (artikel 2);
- dat de maandelijks huurbetalingsverplichting van [geїntimeerden] vervalt als het huurcontract met Codemsa niet wordt verlengd (artikel 2);
- dat [bedrijf] direct na ontvangst van de maandtermijnen de huur maandelijks meteen zal betalen aan Codemsa en het, gelet daarop, van groot belang is dat [geїntimeerden] tijdig de maandtermijnen voldoen (artikel 3);
- dat [bedrijf] de huurovereenkomst met Codemsa onverlet zal laten doorlopen en het dus de bedoeling van partijen is dat de huurovereenkomst tussen [bedrijf] en Codemsa wordt voortgezet (artikel 3).
3.1.4 Codemsa is in 2017 failliet verklaard. De curator van Codemsa heeft in zijn brief van 8 april 2021 aan [geїntimeerden] laten weten tot beëindiging van de huurovereenkomst te willen komen. Als redenen zijn genoemd dat [bedrijf] vanaf aanvang van de huurovereenkomst maandelijks Afl. 500 aan Codemsa heeft betaald in plaats van het overeengekomen bedrag van Afl. 1.000 per maand en dat in strijd met de huurovereenkomst door [bedrijf] is onderverhuurd aan [geїntimeerden] Genoemd is ook dat in strijd met de hypotheekovereenkomst tussen Codemsa en de bank door Codemsa aan [bedrijf] was verhuurd.
3.1.5 [geїntimeerden] hebben het gehuurde daarop ontruimd.
3.1.6 [bedrijf] heeft haar vordering op [geїntimeerden] op 29 juni 2023 gecedeerd aan [appellant].
Een enkele opmerking vooraf
3.2.1 [appellant] heeft veertien grieven tegen het vonnis van het Gerecht aangevoerd. De nummering daarvan klopt niet helemaal. Zo ontbreekt een grief 7. Er zijn ook twee grieven 13. Het Hof zal de laatste grief 13 aanduiden als grief 15. Voor het overige wordt de nummering van [appellant] aangehouden.
3.2.2 In het vonnis van het Gerecht is het door [geїntimeerden] aan [appellant] verschuldigde bedrag (in conventie) vastgesteld op Afl. 43.125. Tegen dat oordeel komt [appellant] niet op.[geїntimeerden] hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Ambtshalve heeft het Hof geen bedenkingen. Ook in hoger beroep wordt daarom uitgegaan van de verschuldigdheid door [geїntimeerden] van dat bedrag. Daarmee gaat deze zaak over de vraag of met dat bedrag, geheel of gedeeltelijk, verrekend kan worden de door [geїntimeerden] gepretendeerde tegenvordering, voor zover deze door het Gerecht is toegewezen.
De tekortkoming
3.3.1 [geїntimeerden] hebben gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst gevorderd. Het Gerecht heeft geoordeeld (rov 4.2 tot en met 4.7) dat sprake was van een zodanige tekortkoming aan de zijde van [bedrijf] dat ontbinding daardoor gerechtvaardigd werd. [appellant] bestrijdt de juistheid van dat oordeel in zijn grieven 2 tot en met 6.
3.3.2 Volgens [appellant] blijkt uit de huurovereenkomst niet dat het de bedoeling van partijen was dat [geїntimeerden] de onderneming vanaf het door [bedrijf] gehuurde perceel zouden voortzetten en [bedrijf] het nodige zou doen om dat mogelijk te maken. [appellant] wijst in dat verband op de clausule in (artikel 2 van Pro) de overeenkomst waarin staat dat de maandelijks huurbetalingsverplichting van [geїntimeerden] vervalt als het huurcontract met Codemsa niet wordt verlengd. Daarbij komt dat [geїntimeerden] tegen de ontruiming niet hebben geprotesteerd, niet hebben voldaan aan de op hen rustende klachtplicht, hun recht hebben verwerkt op de gestelde tekortkoming een beroep te doen en wisten dat de kans op ontruiming aanwezig was bij faillissement van Codemsa. Volgens [appellant] was dus van een tekortkoming geen sprake.
3.3.3 Het Gerecht heeft (in rov 4.3) van het vonnis uit de daar genoemde bepalingen in de overeenkomst afgeleid dat het de bedoeling van partijen was dat [geїntimeerden] de onderneming vanaf het door [bedrijf] gehuurde perceel zouden voortzetten en [bedrijf] het nodige zou doen om dat mogelijk te maken. Ook het Hof leidt dat daaruit af. Bij een onderneming zoals een autogarage, die voor zijn klandizie in substantiële mate van zijn locatie afhankelijk is, ligt deze bedoeling van partijen bij de ‘huurkoopovereenkomst’ ook voor de hand. De clausule uit de overeenkomst waarop [appellant] zich nu beroept is geen reden daarover anders te oordelen. In die clausule staat slechts dat [geїntimeerden] geen huur meer hoeven te betalen in het geval dat de overeenkomst met Codemsa niet wordt verlengd. Dat neemt niet weg dat [bedrijf] het nodige moest doen om voortzetting van de huur mogelijk te maken.
3.3.4 Op dat punt is [bedrijf] echter in gebreke gebleven. In dit geding is onvoldoende weersproken gebleven dat [bedrijf] (reeds vóór de overeenkomst waarin een verband wordt gelegd tussen de huurbetaling door [geїntimeerden] aan [bedrijf] en door die laatste aan Codemsa) niet de volledige huur aan Codemsa heeft betaald, namelijk slechts
Afl. 500 in plaats van Afl. 1.000 per maand. Ook is onvoldoende weersproken gebleven dat [bedrijf] in strijd met haar huurovereenkomst met Codemsa heeft onderverhuurd aan [geїntimeerden] Door op die manier te handelen riep [bedrijf] het risico in het leven dat Codemsa de huur niet zou willen voortzetten. Haar contractuele verplichting met [geїntimeerden] bestond er echter nu juist in het nodige te doen om voortzetting van de huur mogelijk te maken. Door te handelen zoals zij deed en daardoor het genoemde risico in het leven te roepen heeft [bedrijf] dan ook gehandeld in strijd met haar contractuele verplichting. In zoverre is sprake van een tekortkoming.
3.3.5 Wat [appellant] overigens nog heeft aangevoerd (slot rov 3.3.2 hiervoor) is onvoldoende onderbouwd en dus geen reden anders te oordelen. De grieven 2 tot en met 6 slagen niet.
De schadevergoeding
3.4.1 De inzet van deze procedure aan de zijde van [geїntimeerden] (in reconventie) is de verrekening van diverse schadeposten, welke alle door hen werden gekoppeld aan de tekortkoming van [bedrijf].
3.4.2 Als uitgangspunt voor beoordeling heeft daarbij te gelden dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade te vergoeden die de schuldeiser daardoor lijdt, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend (art. 6:74 BW Pro).
3.4.3 Indien [geїntimeerden] een vordering blijken te hebben op [bedrijf], zoals hierna wordt beoordeeld, kunnen zij die verrekenen met hun schuld aan [appellant] (schuldeiser op grond van overgang van de vordering onder bijzondere titel, namelijk cessie) omdat de vorderingen van [geїntimeerden] voortspruiten uit, althans als grondslag hebben, dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering, te weten de overeenkomst.
Grief 8 slaagt niet.
De niet afgedragen huur
3.5.1 De huur die [bedrijf] moest betalen aan Codemsa bedroeg Afl. 1.000 per maand. [geїntimeerden] betaalden maandelijks aan [bedrijf] Afl. 2.250. Daarvan zal, zo staat in de overeenkomst, Afl. 1.250 aangewend worden voor de maandelijkse huurbetaling. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat aldus tot uitdrukking is gebracht dat [geїntimeerden] aan huur een bedrag verschuldigd waren dat gelijk was aan het bedrag dat [bedrijf], op haar beurt, verschuldigd was aan Codemsa. Dus: Afl. 1.000 per maand.
3.5.2 Gevolg hiervan is dat de overeenkomst ook zo moet worden uitgelegd dat van het door [geїntimeerden] te betalen maandbedrag van Afl. 2.250 niet slechts Afl. 1.000 strekte tot aflossing van de koopprijs van de roerende zaken, maar Afl. 1.250. Door het verschil van Afl. 250 per maand niet ten gunste van de aflossing van de koopprijs te laten komen heeft [bedrijf] dus gehandeld in strijd met de overeenkomst. Als gevolg van die tekortkoming hebben [geїntimeerden] schade geleden althans is [bedrijf] ongerechtvaardigd verrijkt. Die schade is door het Gerecht, in hoger beroep onweersproken, gesteld op Afl. 6.000. Dat bedrag is daarom door het Gerecht terecht aangemerkt als verrekenpost. Grief 9 slaagt niet.
De verhuiskosten
3.6.1 [geїntimeerden] hebben gesteld dat zij als gevolg van de tekortkoming van [bedrijf] verhuiskosten hebben moeten maken. Het Gerecht is hen daarin gevolgd en heeft die kosten bepaald op Afl. 26.360 (rov 4.23 en 4.24).
3.6.2 [bedrijf] heeft onvoldoende gedaan om voortzetting van de huur met Codemsa mogelijk te maken: onvolledige huurbetaling en verboden onderverhuur. Dat was haar tekortkoming. Voor de curator was die tekortkoming reden voor opzegging van de huur. Dat Codemsa, op haar beurt, had gehandeld in strijd met haar hypotheekovereenkomst met de bank doet aan deze beide redenen voor opzegging door de curator niet af.
3.6.3 Het gevolg van de tekortkoming van [bedrijf] en de daarop gegronde opzegging van de huur door de curator was dat [geїntimeerden] het gehuurde perceel moesten ontruimen. De verhuiskosten komen als vergoeding voor de daardoor veroorzaakte schade in aanmerking. Die kosten zijn door het Gerecht vastgesteld op, in totaal, Afl. 26.360. [appellant] heeft de hoogte van die kosten in hoger beroep betwist, maar die betwisting van geen enkele toelichting voorzien. Er is daarom geen reden anders te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan. De grieven 10 en 11 slagen niet.
De overige kosten
3.7.1 [geїntimeerden] hebben zich ook op verrekening beroepen met betrekking tot door hen aan [bedrijf] voorgeschoten bedragen. In totaal gaat het om Afl. 2.764,47. Het Gerecht heeft dat bedrag toegewezen.
3.7.2 [geїntimeerden] hebben genoemd bedrag in eerste aanleg (productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) voldoende gemotiveerd onderbouwd met overgelegde facturen. [bedrijf] heeft daartegen toen geen gemotiveerd verweer gevoerd, zoals het Gerecht heeft geoordeeld. In hoger beroep is van voldoende gemotiveerd verweer nog steeds geen sprake. De toewijzing van het bedrag van Afl. 2.764,47 was dan ook terecht. Grief 12, die kennelijk betrekking heeft op deze posten, slaagt niet.
Slotsom
3.8.1 De grieven 1 tot en met 6 en 8 tot en met 12 slagen niet. De grieven 13, 14 en 15 missen zelfstandige betekenis. Het vonnis van het Gerecht wordt daarom bevestigd.
3.9.2 [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure van [geїntimeerden] Die kosten worden begroot op nihil aan verschotten en
Afl. 1.000 aan salaris advocaat (0,5 punten à Afl. 2.000 per punt, tarief 5).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis van het Gerecht van 3 april 2024;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure aan de zijde van [geїntimeerden] gevallen en begroot die kosten op nihil aan verschotten en Afl. 1.000 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.