Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:157

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
CUR2024H00224
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:87 BWArt. 1:87a BWArt. 3:307 BWArt. 3:321 lid 1 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vergoeding investeringen in woning bij beëindiging informele samenleving

Partijen hebben vanaf 2003 samengewoond en een samenlevingsovereenkomst (SLO) gesloten waarin Nederlands recht van toepassing is verklaard. Na beëindiging van de samenleving vordert de man vergoeding voor investeringen die hij in de woning van de vrouw heeft gedaan.

De rechtbank kende hem een deel van de gevorderde vergoeding toe op basis van het recht van Curaçao. In hoger beroep oordeelt het Hof dat Nederlands recht van toepassing is en dat de SLO geen vergoedingsrecht voor verbouwingen bevat. De man heeft onvoldoende concrete feiten gesteld om een stilzwijgende afspraak aan te nemen.

Daarnaast is de vordering gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking verjaard, omdat de investeringen in 2004 en 2014 zijn gedaan en de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt. Het Hof wijst de vordering af en compenseert de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De vordering van de man tot vergoeding van investeringen in de woning wordt afgewezen wegens verjaring en gebrek aan grondslag in de samenlevingsovereenkomst.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202400923 – CUR2024H00224
Uitspraak: 16 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANTE]
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. M.J. Bernardina,
tegen
[GEINTIMEERDE],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: mr. J.E. Lovert.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over vorderingen na afloop van een samenleving. In dit hoger beroep gaat het alleen nog over de vraag of de man aanspraak kan maken op vergoeding van door hem tijdens de samenleving gedane investeringen in de woning van de vrouw. Het Hof beoordeelt die vordering opnieuw en komt tot een ander oordeel dan de rechter in eerste aanleg.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij een op 20 september 2024 ingekomen beroepschrift (akte van appel) is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 19 augustus 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij gelijktijdig ingediend stuk, door het Hof gelezen als memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen waarbij tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt verzocht totdat in hoger beroep vonnis wordt gewezen.
2.3
Bij op 23 december 2024 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de man de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de vrouw – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep.
2.4
Op 28 oktober 2025 hebben partijen de zaak mondeling bepleit. Aanwezig waren: de man en de vrouw, ieder met hun gemachtigde. De gemachtigden van de partijen hebben het woord gevoerd, mr. Lovert aan de hand van een overgelegde pleitnotitie.
2.4
De zaak is aangehouden om partijen de gelegenheid te geven te onderzoeken of zij de zaak onderling zouden kunnen oplossen. Bij akte uitlating van 2 december 2025 respectievelijk bij e-mailbericht van die datum hebben de gemachtigden laten weten dat partijen daar niet in zijn geslaagd. Het Hof zal hetgeen de gemachtigde van de vrouw daarnaast heeft geschreven over de inhoud van de schikkingsonderhandelingen, buiten beschouwing laten.
2.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.1
Partijen hebben samengewoond in Nederland vanaf 2003. Op 20 november 2003 hebben zij een samenlevingsovereenkomst (SLO) gesloten. In de SLO is onder meer opgenomen:
(…)
GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
C. 2. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
(…)
WONING IN EIGENDOM
3. Indien partijen gezamenlijk wonen in een woning welke één van hen toebehoort, heeft deze geen recht op vergoeding door de andere partij behoudens het hiervoor onder ‘Gemeenschappelijke Huishouding’ sub C.2 bepaalde.
(…)
RECHTSKEUZE/GESCHILLEN
1.Op deze overeenkomst is Nederlands Recht van toepassing
3.1.2
Vanaf 2004 hebben partijen samengewoond in de woning van de vrouw in Curaçao (hierna: de woning).
3.1.3
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de vrouw de SLO ontbonden.
3.1.4
De man heeft de woning op 2 oktober 2023 verlaten.

4.De procedure in eerste aanleg

4.1
In deze rechtszaak heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, de man (in reconventie) gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling aan hem van NAf 320.000, te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling aan hem van een bijdrage aan verhuis- en herinrichtingskosten, een en ander met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
4.2
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vrouw veroordeeld
tot betaling aan de man van een bedrag van NAf 156.250, te vermeerderen met de wettelijke rente en het overig gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
4.3
Het Gerecht heeft de vordering – inhoudend een vergoeding voor door hem ten tijde van de samenleving van partijen gedane investeringen in de woning - beoordeeld naar het recht van Curaçao en toegewezen met toepassing van artikel 1:87 in Pro verbinding met artikel 1:87a BW tot het hiervoor genoemde bedrag.

5.De beoordeling

Omvang hoger beroep
5.1
De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt door het Hof niet in behandeling genomen omdat die in strijd met art. 109 Procesreglement Pro niet bij afzonderlijk verzoekschrift is ingediend.
5.2
In hoger beroep gaat het alleen nog om de vordering van de man (in reconventie) voor zover die is toegewezen. De vrouw heeft daar een grief tegen gericht. De man heeft aanvankelijk betaling gevorderd van een hoger bedrag, te weten NAf 320.000. Omdat hij geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van het meerdere kan het Hof niet meer toewijzen dan – uitgedrukt in de huidige valuta met dezelfde waarde als de oude - Cg 156.250. De vrouw betoogt dat ook dit bedrag ten onrechte is toegewezen en concludeert tot volledige afwijzing van de vordering.
Toepasselijk recht
5.3
Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat op de samenleving tussen partijen en dus ook op de afwikkeling ervan Nederlands recht van toepassing is. Partijen hebben bij de aanvang van hun samenleving in Nederland een SLO gesloten en hebben ervoor gekozen om op de SLO Nederlands recht van toepassing te laten zijn (zie hiervoor 3.1.1). Zij zijn kort daarna weliswaar verhuisd naar Curaçao, maar hebben in die omstandigheid geen aanleiding gezien om een andere / nieuwe SLO te sluiten en daarop Curaçaos recht van toepassing te verklaren. Dat betekent dat de SLO tussen partijen onverkort gelding heeft behouden. De man heeft in eerste aanleg zijn vordering tot vergoeding ook gebaseerd op de SLO. Naar het oordeel van het Hof volgt uit dat alles dat het de bedoeling was van partijen dat hun samenleving – en dus ook de afwikkeling ervan bij beëindiging– zou worden beheerst door Nederlands recht. Het enkele feit dat de SLO geen specifieke bepaling bevat voor de situatie als deze, waarin op kosten van de man een verbouwing wordt uitgevoerd aan de gezamenlijk bewoonde woning van de vrouw, maakt nog niet dat de vordering van de man daarom naar Curaçaos recht moet worden beoordeeld. In zoverre slaagt het hoger beroep.
Grondslag vorderingsrecht
5.4
Naar het Nederlandse recht bestaat een wettelijk vorderingsrecht uit hoofde van - kort gezegd - vermogensverschuiving tussen (ex)-echtgenoten. In tegenstelling tot in Curaçao bestaat dat recht dus niet tussen (ex-)samenlevenden. De vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen zoals hier aan de orde (informeel samenlevenden/samenwoners) wordt niet bepaald door de regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen. Die regels lenen zich niet voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden. Daarom is geen plaats voor een beroep op analoge toepassing van artikel 1:87 BW Pro maar moet aan de hand van het algemene verbintenissenrecht beoordeeld worden of de man ter zake van zijn investering in de woning een vergoedingsrecht jegens de vrouw geldend kan maken.
5.5
Voor die beoordeling ligt het in de rede te onderzoeken of tussen de samenwoners een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de in artikel 6:248 lid 1 BW Pro bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt. Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn doordat samenwoners met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan (zie hierna 5.5), of uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend afspraken hebben gemaakt (zie hierna 5.6). Daarnaast is mogelijk dat een van de samenwoners, indien aan de voorwaarden voor onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking (zie hierna 5.7) is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende (Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707).
SLO
5.6
Vast staat dat de SLO geen regeling bevat die voorziet in een vergoedingsrecht voor de verbouwing in de woning van de vrouw die de man naar eigen zeggen heeft bekostigd. Anders dan de man betoogt, is het Hof van oordeel dat er ook onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de afspraken die wèl in de SLO staan en de gedragingen van partijen tijdens de affectieve relatie ertoe zouden moeten leiden dat er recht op vergoeding bestaat. De man verwijst in dat verband naar de in de SLO opgenomen bepaling dat wanneer partijen gezamenlijk wonen in een woning welke aan één van hen toebehoort, deze geen recht heeft op vergoeding door de andere partij, behoudens het onder ‘Gemeenschappelijke Huishouding’ sub C.2 bepaalde. Die laatste bepaling ziet echter op betaling van rente indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning een geldlening is aangegaan; in dat geval wordt de betaling van de rente gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Die bepalingen zeggen echter niets over een vergoedingsrecht voor verbouwingen aan de woning waarop de man zich in deze zaak beroept en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom daarin een grondslag voor deze vordering moet worden gelezen. De SLO in zijn geheel beschouwd en de bepalingen in onderling verband gelezen, duiden naar het oordeel van het Hof erop, zoals de vrouw ook aanvoert en de man erkent, dat partijen juist de bedoeling hebben gehad om hun inkomens en hun vermogens zo veel mogelijk gescheiden te houden en dus ervoor hebben gekozen om in een situatie als deze geen vergoedingsrecht dan wel -plicht te laten ontstaan. De conclusie is dat de SLO geen grondslag geeft voor toewijzing van de vordering.
Andere afspraken
5.7
De man stelt verder dat hij en de vrouw hebben afgesproken dat bij vermogensverschuivingen een vergoedingsrecht zou ontstaan. Hij verwijst in dat kader naar een schuldbekentenis (productie 10 eerste aanleg). Het betreft een ongetekende notariële concept-akte waarin de vrouw verklaart dat zij in het verleden geld heeft geleend van de man en dat zij dat aan hem moet terugbetalen vóór 31 maart 2021. Daargelaten dat de vrouw de gemaakte afspraak heeft betwist en de concept-akte door haar noch de man is ondertekend, kan het Hof uit de in de concept-akte genoemde lening niet afleiden dat deze ziet op uitgaven voor verbouwingen die de man nu vergoed wil zien. Andere feiten of omstandigheden die de stelling van de man onderbouwen dat partijen hebben afgesproken dat bij vermogensverschuivingen een vergoedingsrecht zou ontstaan, heeft de man niet gesteld en die zijn ook niet gebleken. De man heeft niet gesteld wanneer, waar of in welk verband die afspraken zijn gemaakt. Ook voor het bestaan van een stilzwijgende afspraak heeft hij te weinig concrete feiten of omstandigheden gesteld die zijn stelling onderbouwen. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht. Het Hof komt daarom ook niet toe aan bewijs op dit punt.
Ongerechtvaardigde verrijking
5.8
Voor een vergoeding uit hoofde van artikel 6:212 BW Pro moet allereerst sprake zijn van verarming (of schade) aan de zijde van de man. Wanneer de man uitgaven heeft gedaan voor verbouwingen aan de woning van de vrouw uit eigen zak of uit een afgesloten lening, kan sprake zijn van verarming aan zijn kant. Het Gerecht heeft in eerste aanleg als vaststaand aangenomen dat zowel in 2004 als in 2014 verbouwingen aan de woning zijn gedaan gefinancierd door de man. Naast verarming aan de kant van de man moet sprake zijn van verrijking aan de kant van de vrouw. Volgens de man is daarvan sprake omdat de woning van de vrouw ten gevolge van de verbouwingen in waarde is toegenomen. In hoger beroep betwist de vrouw dat de man investeringen in de woning heeft gedaan. Het Hof begrijpt haar stellingen zo dat ze de verbouwingen aan de woning als zodanig niet betwist, maar wel dat de man daarvoor zelf uitgaven heeft gedaan of een lening heeft afgesloten.
Beroep op verjaring
5.9
Verder beroept de vrouw zich op verjaring van de vordering van de man. Voor een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking geldt in beginsel een verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:307 BW Pro) na het ontstaan van de vordering. De verlenging van de verjaringstermijn voor echtgenoten en geregistreerde partners uit Boek 3 BW (artikel 3:321 lid 1 en Pro sub g BW) geldt niet voor samenwoners en een vergelijkbare regeling is er voor samenwoners niet. Voor de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking geldt dus een verjaringstermijn van vijf jaar. De verjaringstermijn vangt aan op het moment dat de vordering opeisbaar is geworden. Dat is het moment waarop het geld door de man is uitgegeven, immers op dat moment is hij naar hij stelt verarmd en de vrouw verrijkt. Dat betekent dat de vordering van de man is ontstaan in (de loop van) 2004 respectievelijk in (de loop van) 2014, de jaren waarin de verbouwingen zijn uitgevoerd. Niet gesteld of gebleken is dat de man de verjaring tijdig heeft gestuit of dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de vordering tot vergoeding van de gedane investeringen – al aangenomen dat de man die inderdaad heeft gedaan en de vrouw daardoor is verrijkt – van de man is verjaard.
Slotsom
5.1
Het hoger beroep van de vrouw slaagt. Het Hof zal de veroordelingen in 5.2 en 5.7 van het bestreden vonnis vernietigen en dat vonnis voor het overige bevestigen. Het Hof zal de kosten van het hoger beroep compenseren omdat partijen ex-samenwoners zijn.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de dictumonderdelen 5.2 en 5.7 van het vonnis waarvan beroep en, opnieuw recht doende:
wijst de vordering van de man tot betaling van een vergoeding alsnog af;
bevestigt het vonnis het vonnis voor het overige;
compenseert de kosten van het hoger beroep tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.