Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:156

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AUA2021H00208
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:288 BW ArubaArt. 4:184 lid 2 BW ArubaArt. 8 lid 2 verzekeringsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhaalbaarheid van begrafeniskosten op erfgenamen na verkeersongeval

Een werknemer is overleden bij een verkeersongeval. De werkgever, Arucar N.V., heeft de begrafeniskosten betaald en vordert verhaal op de gezamenlijke erfgenamen van de overledene. De rechtbank wees de vordering af. In hoger beroep heeft het Hof eerst een tussenvonnis gewezen vanwege een betekeningsprobleem, waarna de stukken correct zijn betekend.

Het Hof oordeelt dat de kosten van lijkbezorging tot de schulden van de nalatenschap behoren en dat de vordering van Arucar op de nalatenschap kan worden verhaald. De vordering is bevoorrecht op grond van artikel 3:288 BW Pro Aruba. Echter, de erfgenamen zijn niet hoofdelijk aansprakelijk; zij zijn slechts aansprakelijk naar rato van hun erfdeel conform artikel 4:184 lid 2 BW Pro Aruba.

Arucar heeft de kosten betaald als zaakwaarnemer, wat een geldige grondslag vormt voor de vordering. Het conservatoir beslag op een levensverzekeringsuitkering is terecht gelegd en de vordering kan daarop worden verhaald. Er is geen bewijs van buitengerechtelijke incassokosten, zodat die vordering wordt afgewezen. Het Hof vernietigt het vonnis van het gerecht en wijst de vordering toe zonder hoofdelijkheid, met veroordeling van de erfgenamen in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van begrafeniskosten wordt toegewezen en kan worden verhaald op de nalatenschap, waarbij erfgenamen slechts naar erfdeel aansprakelijk zijn.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202003325 – AUA2021H00208
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ARUCAR N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. C.J. Hart,
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van wijlen
[ERFLATER];
de erflater woonde ten tijde van zijn overlijden in Aruba;
de erfgenamen waren in eerste aanleg gedaagden, zijn thans geïntimeerden,
en zijn in hoger beroep niet in de rechtszaak verschenen.
Partijen worden hierna Arucar en de erven genoemd.

1.De zaak in het kort

Een werknemer is overleden bij een verkeersongeval. De werkgever heeft de begrafeniskosten betaald en zoekt verhaal op de gezamenlijke erfgenamen.
Het Gerecht heeft de vordering afgewezen.
In dit hoger beroep heeft het Hof een tussenvonnis gewezen in verband met een betekeningsprobleem. Nu wijst het Hof een eindvonnis overeenkomstig de bij tussenvonnis gegeven voorshandse beoordeling, inhoudende dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof gaat daarbij in op de positie van de verschillende erfgenamen en de verhaalbaarheid op hun vermogens.

2.Het verdere verloop van de procedure

2.1
Bij vonnis van 17 juni 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:157, heeft het Hof de deurwaarder opgedragen de akte van appel, de memorie van grieven, de pleitnota van Arucar en dit tussenvonnis aan de gezamenlijke erfgenamen te betekenen op het adres [adres].
2.2
Blijkens een daarvan opgemaakt exploot van 2 september 2025 heeft de deurwaarder aan die opdracht voldaan, met de aanzegging dat binnen zes weken een memorie van antwoord kon worden ingediend.
2.3
Er is geen memorie van antwoord ingediend.
2.4
Bij e-mail van 4 april 2026 heeft Arucar vonnis verzocht.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De verdere beoordeling

3.1
De stukken zijn nu correct betekend.
3.2
Het Hof maakt de oordelen die in het tussenvonnis voorshands zijn gegeven, nu tot eindbeslissingen. Dat betekent dat de kosten van lijkbezorging gerekend moeten worden tot de schulden van de nalatenschap. Dat brengt mee dat de vordering van Arucar in zoverre toewijsbaar is dat zij kan worden verhaald op de goederen van de nalatenschap. De vordering is ingevolge art. 3:288 BW Pro Aruba ook bevoorrecht.
3.3
Het voorgaande brengt echter niet mee dat elk van de erfgenamen aansprakelijk is voor betaling van de vordering van Arucar, laat staan hoofdelijk, noch dat Arucar haar vordering kan verhalen op alle goederen van iedere erfgenaam.
3.4
De vraag of een of meer erfgenamen verplicht is/zijn schulden van de nalatenschap uit hun overige vermogen te voldoen, en zo ja, welke erfgenamen, wordt naar huidig recht beantwoord in art. 4:184 lid 2 BW Pro Aruba. Het is mogelijk dat sommige erfgenamen wel die verplichting hebben en andere erfgenamen niet. Naar oud recht was dat ook al zo.
3.5
In de stellingen van Arucar ligt voldoende kenbaar besloten dat zij de uitvaartkosten heeft betaald bij wijze van zaakwaarneming. Dat is een deugdelijke grondslag. Dat maakt iedere erfgenaam voor wie de hiervoor onder 3.4 bedoelde vraag bevestigend beantwoord dient te worden, schuldenaar van de vordering van Arucar. Zij zijn echter niet hoofdelijk aansprakelijk, maar slechts voor dat deel dat overeenkomt met hun erfdeel.
3.6
Het conservatoir beslag dat Arucar op 9 december 2020 met verlof van het Gerecht heeft doen leggen onder een levensverzekeringsmaatschappij is gelegd op een verzekeringsuitkering bij overlijden. De begunstigde(n) van deze verzekering is/zijn ingevolge art. 8 lid 2 van Pro de verzekeringsovereenkomst:
the beneficiary designated by the insured employee. Such designation must be filed with the Insurance Company (…).
Uit de beslagstukken en de overige gedingstukken en producties blijkt niet wie dat is/zijn. Het Gerecht is ervan uitgegaan dat de gezamenlijke erven de begunstigden zijn. In dit geding is niet gesteld of gebleken dat dit niet juist is.
3.7
Bij gebrek aan verweer op dit punt neemt het Hof aan dat Arucar de vordering kan verhalen op de beslagen verzekeringsuitkering. De vraag hoe die uitkering voor het overige onder de erfgenamen moet worden verdeeld is in dit geding niet aan de orde.
3.8
Over buitengerechtelijke incassowerkzaamheden is niets gesteld of gebleken. De vordering van Arucar tot betaling van de kosten daarvan wordt daarom afgewezen.
3.9
Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vordering moet alsnog worden toegewezen, echter zonder hoofdelijkheid, en met inachtneming van het voorgaande. De erven zullen (eveneens zonder hoofdelijkheid) als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de erven tot betaling van Afl. 6.251,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 tot aan de dag van de voldoening, met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen;
veroordeelt de erven in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Arucar gevallen en begroot op Afl. 1.074,12 aan verschotten en Afl. 1.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
veroordeelt de erven in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Arucar gevallen en tot op heden begroot op Afl. 1.539,14 aan verschotten en Afl. 1.250,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J. de Boer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.