ECLI:NL:OGHACMB:2026:15

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00215
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verdeling huwelijksgemeenschap en waardering woning als gemeenschapsgoed

Deze zaak betreft het hoger beroep van de man tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. De man betwist dat de woning een gemeenschapsgoed is en vindt de toegekende waarde te hoog, wat leidt tot een te hoge overbedelingsvergoeding.

Het Hof oordeelt dat het erfpachtrecht van de woning, verkregen door koop vóór het huwelijk, krachtens artikel 1:94 lid 2 BW Pro deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. De staat van onderhoud en de waardering van de woning zijn uitgebreid besproken aan de hand van meerdere taxatierapporten. Het Hof acht de waardering van NAf 310.000, gebaseerd op een deskundige taxatie, juist en wijst de bezwaren van de man af.

Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht en compenseert de proceskosten in hoger beroep, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De overbedelingsvergoeding blijft ongewijzigd, en de woning wordt als gemeenschapsgoed toegerekend aan de man.

Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de woning deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en wijst de waardering van NAf 310.000 toe, waardoor de overbedelingsvergoeding ongewijzigd blijft.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202201122 – CUR2024H00215
Uitspraak: 27 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[DE MAN],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,
tegen
[DE VROUW],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.De zaak in het kort

Dit geding betreft de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. Dit hoger beroep stelt beslissingen van het Gerecht aan de orde om de voormalige echtelijke woning als gemeenschapsgoed aan te merken en om bij de toedeling daarvan aan de man een waarde van NAf 310.000 eraan toe te kennen. Volgens de man valt de woning buiten de huwelijksgoederengemeenschap en is de daaraan toegekende waarde te hoog, met als gevolg dat de overbedelingsvergoeding te hoog is die hij volgens het bestreden vonnis moet betalen.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 9 september 2024 ingekomen akte van appel is de man in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 29 juli 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
2.2
Bij op 18 oktober 2024 ingekomen memorie van grieven heeft de man twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en het door de man te betalen bedrag wegens overbedeling lager zal vaststellen dan het Gerecht heeft gedaan.
2.3
Bij op 18 december 2024 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de vrouw de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de man, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep.
2.4
Op 6 mei 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. De vrouw heeft daarbij een beroep gedaan op een productie; de man op drie producties.
2.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.1
Partijen zijn in 1999 getrouwd in gemeenschap van goederen. In 2019 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Vorderingen
3.2
In dit geding heeft de man vorderingen ingesteld ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
Beslissingen van het Gerecht
3.3
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de volgende verdeling vastgesteld (in Cg):
aan de man
woning 310.000
gereedschappen en machines -
[auto 1] -
bankrekening [bank 1] -
aandelenkapitaal [bank 2] 8.366
lening [bank 2] minus 19.138
spaarrekening [bank 2] -
rekening-courant [bank 2] -
pensioenrechten man -
----------- +
saldo 299.228
aan de vrouw
inboedel -
[auto 2] -
[auto 3] -
pensioenrechten vrouw -
bankrekening -
----------- +
totaal nihil
De man dient een overbedelingsbedrag te betalen van:
NAf 299.228 / 2 = NAf 149.614.
Daarnaast dient de man de helft van de kosten van een taxatie aan de vrouw te vergoeden, aldus de beslissing van het Gerecht.
Beoordeling door het Hof
3.4
Het Hof zal eerst grief 2 beoordelen.
3.5
De voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) staat op het perceel met meetbrief [#1] (kavel [#2] van het verkavelingsplan [naam plan]) aan de [adres], Curaçao (hierna: het perceel). Het perceel is in erfpacht uitgegeven. Het recht van erfpacht staat op naam van de man. Volgens opgave op internetaanvraag bij het kadaster heeft de man dit recht verkregen bij akte van verkoop, koop en levering en is de datum van inschrijving 28 april 1997.
3.6
Bij inleidend verzoekschrift heeft de man aangevoerd dat hij het recht van erfpacht toebedeeld heeft gekregen uit de nalatenschap van zijn moeder. Daarom valt dit recht volgens de man niet in de huwelijksgoederengemeenschap.
3.7
Het Gerecht heeft dit betoog verworpen bij tussenvonnis van 11 december 2023 onder 4.4. Het Gerecht heeft aangenomen dat de woning wel tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort.
3.8
Hiertegen is grief 2 gericht. Bij memorie van grieven heeft de man aangevoerd dat hij de woning vóór het huwelijk heeft gekocht van zijn moeder. Het was een houten opberghuisje. Vóór het huwelijk heeft de man de opstal opgeknapt, verbouwd en gemaakt zoals die er nu uitziet. De vrouw heeft hier niet financieel aan bijgedragen, aldus de man.
3.9
Bij memorie van antwoord heeft de vrouw een notariële akte van 24 april 1997 overgelegd, waarin staat dat de man het erfpachtrecht voor NAf 30.000 heeft gekocht en overgedragen krijgt van een verkoper van wie de naam wordt vermeld.
3.1
Bij pleitnota in hoger beroep heeft de man zich hier niet over uitgelaten.
3.11
Gelet op dit partijdebat moet als uiteindelijk onbetwist worden aangenomen dat de man het erfpacht heeft verkregen door koop. Ingevolge art. 1:94 lid 2 BW Pro maakt het daarom deel uit van de huwelijksgoederengemeenschap. Het maakt geen verschil in hoeverre de woning vóór of na de aanvang van de gemeenschap is gebouwd. Voor zover de woning voordien is gebouwd, was die bij de aanvang aanwezig in de zin van art. 1:94 lid 2 BW Pro en voor zover die later is gebouwd, is die nadien verkregen in de zin van dezelfde bepaling (deels door aanwending van gemeenschapsgeld).
3.12
Grief 2 kan daarom niet slagen.
3.13
Vervolgens beoordeelt het Hof grief 1. Deze is gericht tegen de beslissing van het Gerecht om de woning te waarderen op NAf 310.000.
3.14
Ten behoeve van de comparitie van partijen van 28 november 2022 bij het Gerecht heeft de vrouw een in haar opdracht opgesteld taxatierapport van [taxateur 1] in het geding gebracht met als datum van opname en van rapportage 29 juni 2020. Hierin is de onderhandse verkoopwaarde van het erfpachtrecht en de woning getaxeerd op NAf 250.000. Volgens dit rapport bevindt de woning zich in een matige tot redelijke staat van onderhoud.
3.15
Ten behoeve van dezelfde comparitie van partijen heeft de man een in zijn opdracht opgesteld taxatierapport van [taxateur 2] in het geding gebracht met als datum van opname 11 november 2022 en als datum van rapportage 12 november 2022. Hierin is de onderhandse verkoopwaarde van het erfpachtrecht en de woning getaxeerd op NAf 185.000. Volgens dit rapport verkeert het getaxeerde in geringe staat van onderhoud, is er veel achterstallig onderhoud waargenomen en is het bijgebouw onafgebouwd.
3.16
Bij tussenvonnis van 11 december 2023 heeft het Gerecht met instemming van partijen [taxateur 3] belast met de taxatie van het perceel met de daarop gevestigde opstallen.
3.17
Bij akte van 11 maart 2024 heeft de vrouw een waardebrief van [taxateur 3] in het geding gebracht met als datum van opname 4 januari 2024 en datum van het uitbrengen van de waardebrief 12 januari 2024. Hierin is de marktwaarde van de erfpachtgrond met het daarop gebouwde getaxeerd op NAf 310.000. De opstal is omschreven als: redelijk onderhouden. Bij de waardebrief zijn zes foto’s van de woning gevoegd.
3.18
Bij akte van 20 mei 2024 heeft de man aangevoerd dat volgens hem de staat van de woning sinds 2019 alleen maar achteruit is gegaan, omdat de woning niet meer is onderhouden. De kwalificatie ‘redelijk onderhouden’ in de waardebrief van [taxateur 3] verbaast de man, mede gelet op de foto’s die bij het taxatierapport van [taxateur 2] zijn gevoegd, die volgens hem een slechte staat van onderhoud laten zien. Ook heeft hij aangevoerd dat de waardebrief van [taxateur 3] geen referentiepunten noemt.
Hij heeft nog twee andere taxatierapporten van taxateur [taxateur 2] genoemd, waarin de woning als volgt is getaxeerd:
a. 12 maart 2011: marktwaarde NAf 255.000 (alsnog door de man overgelegd in hoger beroep als productie 11);
b. 28 maart 2020: marktwaarde NAf 215.000 (alsnog door de man overgelegd in hoger beroep als productie 12).
3.19
Het Gerecht heeft de waardering van [taxateur 3] overgenomen.
3.2
Hiertegen is grief 1 gericht. De man heeft zijn betoog dat de door [taxateur 3] getaxeerde waarde te hoog is, in hoger beroep uitgebreid met het argument dat de woning zich niet op eigendomsgrond, maar op erfpachtsgrond bevindt, en in een arbeiderswijk. Verder heeft hij een beroep gedaan op nog een taxatierapport: 9 september 2024, [taxateur 4], marktwaarde NAf 265.000, staat van onderhoud: redelijk tot matig.
3.21
De vrouw heeft bij pleitnota in hoger beroep een beroep gedaan op een e-mail van [taxateur 5] van 20 maart 2025, waarin deze schrijft dat de waarde (kennelijk in het rapport van [taxateur 3]) binnen de acceptabele waardebandbreedte valt.
3.22
Bij de verdeling van een tot een gemeenschap behorend goed moet worden uitgegaan van de waarde daarvan ten tijde van de verdeling, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan wordt afgeweken. In dit geval is het moment van verdeling 29 juli 2024 (zie HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176, 3.3) en is er geen reden voor zo’n afwijking gesteld of gebleken.
3.23
Partijen hebben er bij de comparitie van partijen van 28 november 2022 mee ingestemd dat een derde taxateur zal worden aangewezen ter bepaling van de waarde van de woning. Anders dan de vrouw heeft betoogd, maakt die enkele omstandigheid niet dat het rapport van [taxateur 3] geacht moet worden te zijn gebaseerd op een vaststellingsovereenkomst. Het Hof dient in te gaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door het Gerecht benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468, 3.6).
3.24
De waardering van onroerend goed berust voor een deel op intuïtieve inzichten van een deskundige taxateur. Het Hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en onpartijdigheid van [taxateur 3]. De man heeft die ook niet ter discussie gesteld. De waardebrief is gebaseerd op een opname en is voorzien van zes foto’s. Mede gelet op dit alles wijst het Hof de bezwaren van de man tegen de zienswijze van [taxateur 3] van de hand. Hierbij weegt mee dat het een feit van algemene bekendheid is dat de huizenprijzen in Curaçao na 2020 aanzienlijk zijn gestegen. Verder weegt de algemene ervaringsregel mee dat bij woningen als de onderhavige het prijspeil in de markt in het algemeen van grotere invloed is op de marktwaarde van de woning dan de staat van onderhoud van de woning.
3.25
Grief 1 slaagt dus evenmin.
3.26
Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen bij het vonnis waarvan beroep. Het dient te worden bevestigd. Omdat partijen getrouwd zijn geweest, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten in hoger beroep zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.