Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:146

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AUA2025H00136
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70a RvBoek 2 BW Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens gebrek aan belang bij overhandiging jaarrekeningen

In deze zaak stond het hoger beroep van appellant centraal tegen een vonnis dat hem beval jaarrekeningen van Safecom Safety & Communications Services N.V. over diverse jaren aan geïntimeerde te overhandigen. Het Hof stelde vast dat appellant het bevel reeds had uitgevoerd en dat er geen dwangsommen waren verbeurd.

Het Hof onderzocht of appellant voldoende belang had bij het hoger beroep, mede gelet op de proceskostenveroordeling en het mogelijke gezag van gewijsde van eerdere vonnissen. Het bleek dat appellant geen belang had bij het hoger beroep omdat hij niet werd gehouden tot overhandiging van jaarrekeningen over 2023 en later, en geïntimeerde deze vordering ook niet had ingesteld.

Verder werd vastgesteld dat medegedaagde niet tijdig hoger beroep had ingesteld en dus niet in hoger beroep was gekomen. Het Hof oordeelde dat het ontbreken van een voldragen partijdebat over toekomstige jaarrekeningen een inhoudelijke beoordeling in deze procedure onmogelijk maakte.

Daarom verklaarde het Hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem in de kosten van het hoger beroep, begroot op 2.000 Arubaanse gulden.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens gebrek aan belang en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202302457 – AUA2025H00136
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg (mede)gedaagde, thans appellant,
gemachtigde: mr. M.G. Boyce,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. D.G. Kock.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

In dit geding heeft het Gerecht gedaagde bevolen om jaarrekeningen aan eiser te overhandigen. In dit hoger beroep staat vast dat gedaagde het bevel heeft uitgevoerd. Het Hof komt tot de slotsom dat gedaagde niet voldoende belang heeft bij zijn hoger beroep.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 20 juni 2025 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] en [medegedaagde] (hierna: [medegedaagde]) als gedaagden gewezen en op 14 mei 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 31 juli 2025 ingekomen memorie van grieven hebben [appellant] en [medegedaagde] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en (naar het Hof begrijpt) de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties, met wettelijke rente.
2.3 [
[geïntimeerde] heeft geen memorie van antwoord ingediend.
2.4
Op 30 maart 2026 hebben de gemachtigden de zaak bepleit ten overstaan van het Hof. Zij hebben zich daarbij bediend van pleitnota’s, waarvan zij exemplaren hebben overgelegd. Zijdens [appellant] is [zaakgelastigde], zaakgelastigde, verschenen (ook namens [medegedaagde]), bijgestaan door de gemachtigde. [geïntimeerde] is verschenen met zijn gemachtigde. Zijdens [appellant] (en [medegedaagde]) zijn producties in het geding gebracht die vooraf waren toegezonden.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Procespartijen in hoger beroep
3.1
In de akte van appel wordt [medegedaagde] niet genoemd. Uit de akte van appel valt niet af te leiden dat de bedoeling van mr. Boyce was ook namens [medegedaagde] hoger beroep in te stellen, ook niet als men de akte uitlegt in het licht van de gedingstukken uit de eerste aanleg. Door of namens [medegedaagde] is dus niet tijdig binnen de appeltermijn hoger beroep ingesteld. De appeltermijn is van openbare orde. Het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen, kan niet worden hersteld. Dat is ook niet geprobeerd. De vermelding alsnog van [medegedaagde] in de kop van de latere gedingstukken van mr. Boyce kan niet worden uitgelegd als een poging om alsnog namens [medegedaagde] hoger beroep in te stellen. Aangenomen moet daarom worden dat [medegedaagde] niet in hoger beroep is gekomen.
Feiten
3.2
Het Hof gaat uit van de feiten die het Gerecht in het bestreden vonnis heeft vastgesteld onder 2.1-2.3. Dat komt neer op de volgende feiten.
3.2.1
Bij vonnis van 23 maart 2011, zaaknummer AR 2597/2009, heeft het Gerecht op vordering van [geïntimeerde] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) een bevel uitgesproken tegen [appellant] en [medegedaagde]. Het bevel houdt in dat zij de jaarrekeningen van Safecom Safety & Communications Services N.V. (hierna: Safecom Safety) over de jaren 2001 en 2004 tot en met 2008 aan [geïntimeerde] en [betrokkene] moeten overhandigen. Het bevel is versterkt met dwangsommen.
3.2.2
Bij vonnis van 19 juni 2012, zaaknummer 52244 - H 19/2012, heeft het Hof in hoger beroep het vonnis van het Gerecht van 23 maart 2011 bevestigd.
3.2.3
Bij vonnis van 30 mei 2018, zaaknummer AR 1166/2017, gewezen tussen [betrokkene] en [appellant] heeft het Gerecht overwogen dat niet in geschil is dat het bevel uit het vonnis van 23 maart 2011 naar behoren is opgevolgd of uitgevoerd.
Beslissingen van het Gerecht
3.3
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht [appellant] en [medegedaagde] bevolen om:
a. de jaarrekeningen van Safecom Safety over de jaren 2001 en 2004 tot en met 2008 aan [geïntimeerde] te overhandigen;
b. de jaarrekeningen van Safecom Safety over de jaren 2009 tot en met 2022 aan [geïntimeerde] te overhandigen;
op straffe van verbeurte van dwangsommen.
Beoordeling door het Hof
Belang bij het hoger beroep
3.4
Bij het pleidooi heeft mr. Kock namens [geïntimeerde] desgevraagd verklaard dat [appellant] geheel aan het bestreden vonnis heeft voldaan en uit hoofde van het bestreden vonnis geen dwangsommen heeft verbeurd en dat [geïntimeerde] daarom niet zal trachten dwangsommen te innen uit hoofde van het bestreden vonnis. Mr. Boyce heeft desgevraagd verklaard dat als het bestreden vonnis vernietigd zal worden, [appellant] niet zal verlangen dat [geïntimeerde] de aan hem overhandigde jaarrekeningen teruggeeft. Het Hof heeft de vraag aan de orde gesteld welk belang [appellant] heeft bij het hoger beroep. Mr. Boyce heeft verklaard dat [appellant] belang erbij heeft dat het Hof zal oordelen dat [appellant] niet gehouden is jaarrekeningen van Safecom over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen. [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij mogelijk zal verlangen dat [appellant] jaarrekeningen van Safecom over 2023 en daarna aan hem overhandigt.
Proceskostenveroordeling als belang bij het hoger beroep
3.5
Het Gerecht heeft [appellant] (naast [medegedaagde]) in de proceskosten veroordeeld. Een proceskostenveroordeling in eerste aanleg kan in het algemeen een voldoende belang opleveren bij het instellen van hoger beroep. Het Hof is echter van oordeel dat de proceskostenveroordeling in dit geval onvoldoende belang oplevert bij het hoger beroep. Het Hof kan dit ook in Arubaanse zaken beslissen (HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:95, 3.3.5).
Gezag van gewijsde als belang bij het hoger beroep
3.6
Een mogelijk belang van [appellant] bij het hoger beroep zou het volgende kunnen zijn. [geïntimeerde] kan een nieuwe procedure beginnen waarin hij vordert dat [appellant] jaarrekeningen van Safecom Safety over 2023 en daarna aan hem overhandigt. Mogelijk zal [geïntimeerde] daarbij een beroep doen op het gezag van gewijsde van het bestreden vonnis of van eerdere vonnissen. Dit hoger beroep van [appellant] kan het belang dienen dat buiten twijfel wordt gesteld dat aan [geïntimeerde] geen beroep op gezag van gewijsde toekomt.
3.7
Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (gezag van gewijsde, art. 70a Rv). Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust (vaste rechtspraak, zie HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667).
3.8
In het vonnis van 23 maart 2011 heeft het Gerecht onder 4.9 overwogen dat [medegedaagde] en [appellant] stellen steeds bereid te zijn geweest de daar bedoelde jaarrekeningen te overhandigen aan de aandeelhouders. Het Gerecht heeft niets beslist over de vraag of de gehoudenheid daartoe ook bestaat als de bereidheid ontbreekt. Het Gerecht heeft geen beslissing met gezag van gewijsde gegeven die meebrengt dat [appellant] gehouden is ook latere jaarrekeningen aan [geïntimeerde] te overhandigen.
3.9
In het vonnis van 19 juni 2012 heeft het Hof onder 4.10.1 onder meer overwogen:
Het Hof stelt voorop dat het in beginsel juist is dat de jaarrekeningen aan de vennootschap moeten worden “overhandigd” en/of ter beschikking van de aandeelhoudersvergadering moeten worden gesteld. Het onderhavige geval is echter zo bijzonder, mede omdat elke procespartij 25% van de aandelen bezit en er dus geen andere aandeelhouders zijn dan deze vier procespartijen terwijl het bestuur, dat 50% van de aandelen bezit, niet aan die betreffende statutaire verplichting voldoet, dat het GEA terecht [medegedaagde] c.s. heeft veroordeeld tot overhandiging van de betreffende jaarstukken aan [geïntimeerde] c.s.
3.1
In het midden kan blijven of deze overweging gezag van gewijsde had met betrekking tot de vraag of [appellant] verplicht is om jaarrekeningen van jaren na 2008 aan [geïntimeerde] te overhandigen, zolang de wet, de statuten van Safecom Safety en het houderschap van de aandelen in Safecom Safety niet waren gewijzigd. [appellant] heeft immers een beroep gedaan op een wetswijziging, namelijk de inwerkingtreding van het huidige Boek 2 BW Aruba per 1 januari 2021. Verder is het Hof ambtshalve bekend met zijn vonnis van 10 februari 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:27, waarin het Hof heeft overwogen dat [appellant] er in elk geval sinds 2016 recht op heeft dat [betrokkene] meewerkt aan levering van zijn aandelen in Safecom Safety aan [appellant]. Er is dus een beroep gedaan op diverse wijzigingen sinds het vonnis van 19 juni 2012. Het Hof heeft in dat vonnis daarom geen beslissingen met gezag van gewijsde gegeven die meebrengen dat [appellant] gehouden is ook jaarrekeningen over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen.
3.11
Het Gerecht heeft in het vonnis van 30 mei 2018 geen beslissing met gezag van gewijsde gegeven die meebrengt dat [appellant] gehouden is ook jaarrekeningen over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen. Dit volgt reeds uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] geen partij was in de procedure die tot dat vonnis heeft geleid.
3.12
In het geding dat nu aan de orde is, heeft het Gerecht twee tussenvonnissen en een eindvonnis gewezen.
3.13
In het eerste tussenvonnis heeft het Gerecht onder 4.1 overwogen dat [appellant] en [medegedaagde] uitvoering dienen te geven aan het bevel van het vonnis van 23 maart 2011 en dat er geen plaats is voor een nieuwe beoordeling. Onder 4.4 heeft het Gerecht verwezen naar het vonnis van het Hof van 19 juni 2012 en overwogen dat uit het verweer van [appellant] en [medegedaagde] niet volgt dat de bijzonderheden waarop het Hof het oog had zijn gewijzigd, zodat het Gerecht vasthoudt aan overhandiging.
Deze overwegingen brengen niet mee dat het Gerecht enige beslissing met gezag van gewijsde heeft gegeven die meebrengt dat [appellant] gehouden is ook jaarrekeningen over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen. Het Gerecht laat immers juist de mogelijkheid open dat bij wijziging van de door het Hof in 2012 bedoelde bijzonderheden, [appellant] niet meer gehouden is tot overhandiging.
3.14
Ook in het tweede tussenvonnis heeft het Gerecht geen beslissingen met gezag van gewijsde gegeven die meebrengen dat [appellant] gehouden is ook jaarrekeningen over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen.
3.15
In het eindvonnis heeft het Gerecht overwogen dat niet kan worden vertrouwd op alle feitelijke mededelingen van [medegedaagde] c.s. over de zaak en dat hetgeen [geïntimeerde] vordert (mede) daarom integraal toewijsbaar is. Dit zijn processuele overwegingen die alleen betrekking hebben op deze zaak. Zij brengen niet mee dat het Gerecht enige beslissing met gezag van gewijsde heeft gegeven die meebrengt dat [appellant] gehouden is ook jaarrekeningen over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen.
3.16
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het in 3.6 omschreven mogelijke belang bij het hoger beroep van [appellant] niet bestaat of in elk geval nu is geadresseerd. Voor het overige is geen voldoende belang bij het hoger beroep van [appellant] gesteld of gebleken.
Geen overweging ten overvloede
3.17
In dit geding heeft [geïntimeerde] niet gevorderd dat [appellant] jaarrekeningen van Safecom over 2023 en daarna aan hem overhandigt. Het Hof is daarom niet gehouden om daarover een beslissing te nemen.
3.18
Het Hof is bevoegd om daarover overwegingen ten overvloede te geven, maar het ziet daar onvoldoende aanleiding voor. De reden hiervoor is dat voor een goede beoordeling van de vraag of [appellant] gehouden is jaarrekeningen over 2023 en daarna aan [geïntimeerde] te overhandigen, eerst een voldragen partijdebat daarover nodig is, los van de betekenis van eerdere rechterlijke beslissingen over de gehoudenheid van [appellant] om oudere jaarrekeningen van Safecom Safety te overhandigen. Een dergelijk partijdebat is in deze zaak niet gevoerd. Gelet op het stadium van de procedure zou het in strijd met de eisen van een goede procesorde zijn als het Hof daar in deze procedure alsnog gelegenheid voor zou bieden.
Slotsom
3.19
Slotsom is dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij het hoger beroep, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.