Uitspraak
Het Gerecht heeft verder overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de drie wijzigingen het bouwplan niet in strijd met artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bouw- en woningverordening (hierna: Bwv) maken. De verminderde afstand van gebouw A tot de erfgrens levert geen onaanvaardbare hinder op. De afstand was bij alle bouwblokken 3 tot 7 meter en is door de wijzigingen vanaf de hoek van het terras van gebouw A tot de erfgrens 2,10 meter geworden. Het Gerecht is Carin Cares niet gevolgd in de aanname dat de afstand korter dan dat zou zijn, nu dat op een schatting berust. Deze afstand geldt bovendien slechts op het gemeten hoekpunt, want vanaf de noord- en westzijde van gebouw A is de afstand meer dan 3 meter tot de erfgrens. Verder heeft het Gerecht van belang geacht dat de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (hierna: UOROP) in het advies van 17 juni 2025 eventuele hinder, ontsiering en brandgevaar uitgebreid heeft beoordeeld, niet alleen aan de hand van de afstand tot de erfgrens, maar ook wat betreft de ligging en de bouwwijze van de gewijzigde bouwwerken. Carin Cares heeft niet onderbouwd waarom de drie wijzigingen toch leiden tot een toename van ontsiering, hinder of brandgevaar.
Het Gerecht is Carin Cares niet gevolgd in het betoog dat de minister zich schuldig heeft gemaakt aan détournement de procédure door te wachten met beslissen op het handhavingsverzoek van 25 april 2024 totdat was beslist op de vergunningsaanvraag van 11 november 2024 voor gewijzigde uitvoering van het bouwplan. Uit verschillende dossierstukken kan worden afgeleid dat er een bereidheid bestond om de vergunning voor de wijzigingen te verlenen en daarmee was sprake van concreet zicht op legalisatie van de op onderdelen gewijzigde bouw en dus op beëindiging van de overtreding. Het tijdsverloop tussen het verzoek en de beslissing is weliswaar langdurig geweest, maar daaruit volgt nog niet dat de minister misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden, aldus het Gerecht.
Ook betoogt Carin Cares dat er ten onrechte geen toetsing van het bouwplan heeft plaatsgevonden zoals dat van begin af aan in afwijking van de eerdere vergunning uitgevoerd is, aan de hand van de pas later overgelegde maar immer gebruikte WT-tekeningen. Volgens haar is sprake van een structureel en substantieel gewijzigd bouwwerk en had de beoordeling niet beperkt mogen blijven tot de gestelde wijzigingen. De oppervlakte van gebouw A is in de gewijzigde vergunning ruim verdubbeld, nu dat eerst 61 vierkante meter was en thans 132 vierkante meter is. Ook stelt Carin Cares dat de indeling aan de binnenkant geheel anders is en dat de muren op een andere fundering zijn geplaatst.
Over de afstand tussen gebouw A en de erfgrens betoogt Carin Cares dat het nieuwe UOROP-advies ten onrechte voorbij gaat aan de eerder aanvaarde norm van 3 tot 7 meter. De verkorting van deze afstand had aanleiding moeten zijn om een nieuwe ruimtelijke afweging te maken, aldus Carin Cares.
Carin Cares wijst er verder op dat er door het opgehoogde terrein en door de uitbreiding van de balkons een onbelemmerd uitzicht is op haar kavel. De situering van de gebouwen heeft ingrijpende gevolgen voor haar zicht, wind, privacy, afwatering en brandveiligheid en leidt tot de conclusie dat het bouwplan in strijd is met artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv.
Vooraf
Lyra heeft ervoor gekozen om het omvangrijke nieuwbouwcomplex met appartementen te realiseren op het hoger gelegen deel van haar perceel. Zij heeft verder een erfafscheiding gerealiseerd in de vorm van een relatief hoge keermuur.
Alles bijeengenomen wordt Carin Cares nu geconfronteerd met een ingrijpende wijziging van de bestaande situatie. De vraag of die gewijzigde situatie rechtmatig is, kan door het Hof niet meer in volle omvang worden beoordeeld. Dat komt eerst en vooral omdat Carin Cares in haar bezwaar tegen de bouwvergunning van 28 oktober 2022 niet-ontvankelijk is verklaard en tegen de uitspraak van het Gerecht daarover, waarbij haar beroep ongegrond is verklaard, geen hoger beroep is ingesteld. Dat komt ook omdat tegen de eerste vergunning voor de erfafscheiding geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld.
Het Hof moet uitgaan van de rechtmatigheid van de eerder afgegeven vergunningen. Dit is van invloed op de aard en omvang van de toetsing in hoger beroep in de thans voorliggende zaak.
Omvang van de beoordeling
Er is een onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022, voor de bouw van een appartementencomplex met negentien wooneenheden en een zwembad, gym en bergingen op het bouwperceel. Het Gerecht heeft ter zitting uitgebreid stilgestaan bij de verschillende bouwtekeningen en de verschillen tussen beide aanvragen. Het Hof stelt met het Gerecht vast dat het gaat om drie wijzigingen: het terras en balkon aan de achterzijde zijn verlengd met 2 meter (A, B, D en E), de ruimtes aan de voorzijde zijn met enkele vierkante meters vergroot en er is een slaapkamer van ongeveer 12 vierkante meter toegevoegd (A en E) en er is een extra pui toegevoegd (B en D). Deze wijzigingen zijn uitgebreid beoordeeld in het nieuwe UOROP-advies van 17 juni 2025.
Carin Cares betoogt dat deze wijzigingen niet van ondergeschikte aard zijn. Dit is echter relevant als het zou gaan om een lopende bouwaanvraag die gewijzigd wordt, wat niet het geval is. Lyra heeft immers een nieuwe aanvraag ingediend voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan, waarvoor eerder een onherroepelijke vergunning is verleend. Het Hof wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:842, onder 6.2, waarin een soortgelijke situatie zich voordeed en waarin de Afdeling oordeelde dat alleen de gewijzigde onderdelen ter beoordelen voorliggen. Daarbij geldt dat Lyra in de aanvraag duidelijk heeft gemaakt om welke wijzigingen het gaat, anders dan bijvoorbeeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3697, onder 3.1. In deze situatie heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat alleen de gewijzigde onderdelen ter beoordeling voorliggen en dat er geen aanleiding is om alle andere aspecten van het bouwplan, dat in 2022 onherroepelijk is vergund, opnieuw te toetsen. Het voorgaande wordt niet anders als zou komen vast te staan dat Lyra van begin af aan in afwijking van de bouwvergunning van 28 oktober 2022 bouwde, zoals Carin Cares betoogt. Ook dan gaat het nog steeds om een gewijzigde uitvoering van een onherroepelijke bouwvergunning.
Dit betekent dat het Hof niet toekomt aan de klachten van Carin Cares over de ophoging van de grond en de bouwhoogte. De bouwhoogte is vergund in de in rechte vaststaande bouwvergunning van 28 oktober 2022 en is ongewijzigd gebleven in de vergunning van 17 juni 2025. De vraag of gebouw A hoger is dan 8 meter door een ophoging van de grond die niet is betrokken bij de verlening van de bouwvergunning, is een kwestie van handhaving.
Inhoudelijke toetsing van de gewijzigde bouwvergunning
Over het zicht overweegt het Hof dat de uitbreiding van het terras en de balkons daar geen wezenlijke invloed op heeft. Carin Cares had door de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022 al uitzicht op het appartementencomplex. Het uitzicht dat zij verliest doordat gebouw A - op één punt - 1,89 meter dichter bij de erfgrens is gekomen, is niet van dien aard dat dit voor de minister aanleiding had moeten zijn om te concluderen dat de weigeringsgrond uit artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv zich voordoet. Bovendien wordt er een heg geplant die uitsteekt boven de keermuur, waardoor het zicht op het bouwwerk beperkt is.
Het voorgaande geldt ook voor de privacy. Daar komt bij dat uit de door partijen overgelegde foto’s blijkt dat er door het hoogteverschil vanaf het balkon van gebouw A weinig tot geen inkijk is in de lager gelegen bedrijfsgebouwen van Carin Cares. De minister is daar terecht van uitgegaan onder verwijzing naar het UOROP-advies van 17 juni 2025, waarin dit ook gemotiveerd is.
Dat de uitbouw van het terras en de balkons gevolgen heeft voor de winddoorlating op het perceel van Carin Cares, is niet gebleken. De keermuur veroorzaakt mogelijk minder winddoorlating, maar een daarachter gebouwd terras en/of balkon heeft daarop gezien de hoogteverschillen geen wezenlijke impact meer. Het dossier bevat geen documenten op basis waarvan een andere conclusie getrokken kan worden.
Wat betreft de afwatering en de brandveiligheid volgt het Hof de motivering in het UOROP-advies van 17 juni 2025, nu niet is gebleken dat de gewijzigde onderdelen op deze punten daadwerkelijke veranderingen met zich brengen. Carin Cares heeft dat niet gemotiveerd betwist.
Handhaving
In dit kader betoogt Carin Cares ook tevergeefs dat het de minister niet vrijstond om haar handhavingsverzoek van 25 april 2024 pas te behandelen toen er op 17 juni 2025 al een bouwvergunning voor de wijzigingen was verleend. Dat de aanvraag voor de gewijzigde bouwvergunning pas op 11 november 2024 is ingediend, leidt niet tot de conclusie dat er geen concreet zicht op legalisatie was. Daarvoor is alleen het moment van het beslissen op het handhavingsverzoek van belang. Bovendien is voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie van een in afwijking van een vergunning gebouwd bouwwerk niet vereist dat een op legalisatie gerichte aanvraag is ingediend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1314, onder 6.2).
Carin Cares heeft het handhavingsverzoek ingediend op 25 april 2024, Lyra heeft de aanvraag voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022 ingediend op 11 november 2024 en de minister heeft op het handhavingsverzoek beslist op 17 juni 2025. In de tussenliggende periode heeft Lyra doorgebouwd. Als de minister na onderzoek constateert dat er wordt gebouwd in afwijking van de eerder verleende bouwvergunning, dan is hij bevoegd om de bouw geheel of gedeeltelijk stil te leggen. Als de kans bestaat dat het bouwwerk gereed is voordat op het handhavingsverzoek kan worden beslist, dan kan dat een reden opleveren om gebruik te maken van de bevoegdheid om een bouwstop op te leggen. In dit geval is dat niet gebeurd. Hoewel het Hof begrip heeft voor de positie van Carin Cares en haar ongenoegen over de handelwijze van de minister gaat het in deze procedure gezien het voorgaande om de vraag of de minister op 17 juni 2025 bevoegd was om handhavend op te treden. Uit de overweging hiervoor volgt dat die vraag ontkennend wordt beantwoord.