Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2025:74

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
AUA2024H00367
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8, tweede lid, aanhef en onder d, LobArt. 15 LarLandsverordening openbaarheid van bestuurLandsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke openbaarheidszaak

Appellant verzocht op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob) om openbaarmaking van documenten, waarna bezwaar en beroep volgden tegen afwijzing en fictieve afwijzing. Het Gerecht verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,5 toe. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze wegingsfactor.

Het Hof oordeelde dat het Gerecht ten onrechte de zaak als 'licht' had aangemerkt en daardoor een te lage wegingsfactor toepaste. De zaak betrof de zorgvuldigheid en motivering van een bestuursbesluit, wat niet als licht kon worden beschouwd. Daarom werd de wegingsfactor verhoogd naar 1, met een aangepaste puntentoekenning.

Het Hof vernietigde het vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en stelde een hogere vergoeding vast van Afl. 2.100, inclusief vergoeding van het griffierecht van Afl. 75. De minister werd veroordeeld tot betaling van deze kosten aan appellant.

Uitkomst: Het Hof verhoogt de proceskostenvergoeding aan appellant en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

AUA2024H00367
Datum uitspraak: 2 april 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 21 augustus 2024 in zaak nr. AUA202204268, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)

Procesverloop

Op 14 januari 2020 heeft appellant de minister op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: de Lob) verzocht om openbaarmaking van documenten (hierna: Lob-verzoek).
Op 16 maart 2020 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het Lob-verzoek (hierna: fictieve afwijzing).
Op 23 juli 2020 heeft appellant beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op zijn bezwaar tegen de fictieve afwijzing.
Bij uitspraak van 31 mei 2021 heeft het Gerecht dat beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister binnen drie maanden een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar (zaak nr. AUA202001767).
Bij beschikking van 29 november 2022 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 21 augustus 2024 heeft het Gerecht het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd, en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door drs. M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld voor zover het de bepaling over de proceskosten betreft.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft, met toestemming van partijen, een behandeling ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Het Gerecht heeft overwogen dat de minister de bestreden beschikking heeft genomen in strijd met artikel 15 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), door het bezwaarschrift niet door te sturen naar de bezwaaradviescommissie. Volgens het Gerecht moest dit wel, omdat de uitzonderingsgronden uit deze bepaling zich niet voordoen. Verder heeft het Gerecht overwogen dat er geen aanleiding is om hieraan voorbij te gaan, omdat de motivering van de bestreden beschikking ook niet juist is. De minister heeft ten onrechte de openbaarmaking van de gevraagde documenten geweigerd op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Lob.
1.1.
Het Gerecht heeft de proceskosten vastgesteld op een bedrag van Afl. 1.050. Het Gerecht heeft 3 punten toegekend, 1 voor het beroepschrift en twee keer 1 voor het bijwonen van een zitting, met een waarde van Afl. 700 per punt en een wegingsfactor van 0,5. Appellant heeft hoger beroep ingesteld omdat hij vindt dat het Gerecht ten onrechte een wegingsfactor van 0,5 heeft toegepast.
2. Het is ter beoordeling van het Gerecht of er gezien de zwaarte van de zaak aanleiding is om een wegingsfactor hoger of lager dan 1 toe te passen. Daarbij valt de behandeling van een beroep en een hoger beroep onder de categorie 'gemiddeld’, tenzij er duidelijke redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarvan zal doorgaans sprake zijn als het beroep gaat over het niet tijdig beslissen, als de toekenning van een proceskostenvergoeding alleen het gevolg is van een overschrijding van de redelijke termijn of als het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenvergoeding of de vergoeding van het griffierecht in beroep. Het Hof verwijst naar de uitspraak van 1 december 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:410, onder 3.1. Het geschil heeft betrekking op de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de bestreden beschikking en op de inhoudelijke motivering ervan. Daarom heeft het Gerecht de zaak niet als ‘licht' mogen aanmerken en heeft het ten onrechte een wegingsfactor van 0,5 toegepast. Het betoog slaagt. Het Hof stelt tegelijkertijd vast dat voor het bijwonen van een nadere zitting niet 1 punt, maar ½ punt moet worden toegekend, zodat het totale aantal punten 2½ moet zijn.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht moet worden vernietigd voor zover het Gerecht de minister heeft veroordeeld tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1.050.
Het Hof stelt de voor de beroepsfase toe te kennen proceskostenvergoeding vast op Afl. 1.750. Daarbij kent het Hof 1 punt toe voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting en ½ punt voor het verschijnen op de tweede zitting, met een wegingsfactor van 1.
4. De minister moet de proceskosten van appellant in hoger beroep vergoeden tot een bedrag van Afl. 350. Daarbij kent het Hof 1 punt toe voor het indienen van een hogerberoepschrift. Omdat het hoger beroep alleen gaat over de hoogte van de proceskostenvergoeding, past het Hof een wegingsfactor toe van 0,5.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 21 augustus 2024 in zaak nr. AUA202204268, voor zover daarbij de minister van Justitie en Sociale Zaken is veroordeeld tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1.050;
veroordeeltde minister van Justitie en Sociale Zaken tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 2.100, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat de minister van Justitie en Sociale Zaken aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025.