ECLI:NL:OGHACMB:2025:317

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00179
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontbinding overeenkomst van opdracht en persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een aannemer tegen een stichting over een geschil omtrent een overeenkomst van opdracht voor de bouw van een omheining. De aannemer, [appellant], vordert betaling van een bedrag van NAf 22.372, dat hij stelt te zijn overeengekomen als de totale aanneemsom van NAf 55.822. De stichting, gedaagde in eerste aanleg, betwist dat er een vaste prijs is overeengekomen en stelt dat er een dagloon is afgesproken. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de vordering van de aannemer afgewezen, omdat deze niet voldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat een vaste prijs is overeengekomen. In hoger beroep heeft het Hof de zaak beoordeeld en vastgesteld dat de aannemer onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn claim. Het Hof oordeelt dat de partijen een prijs zijn overeengekomen die gebaseerd is op de daadwerkelijk gewerkte uren tegen een dagloon. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en veroordeelt de aannemer in de proceskosten van de stichting. De uitspraak is gedaan op 18 november 2025.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202303515 – CUR2024H00179
Uitspraak: 18 november 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant]],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,
thans appellant,
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,
tegen
de stichting
STICHTING DIERENBESCHERMING CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. Th.M. Bleeker en P.M. Noordhoek.
Partijen worden hierna [appellant] en de stichting genoemd.
De zaak in het kort
Aannemer en opdrachtgever hebben een overeenkomst gesloten met betrekking tot de bouw van een omheining. De aannemer maakt aanspraak op het onbetaalde deel van de volgens hem overeengekomen prijs van NAf 55.822. Volgens de opdrachtgever heeft zij aan haar betalingsverplichtingen voldaan: er is een dagloon overeengekomen en de facturen daarvoor van NAf 33.795 zijn betaald. Gerecht en Hof stellen de opdrachtgever in het gelijk omdat niet kan worden vastgesteld dat een andere dan de door de opdrachtgever gestelde en betaalde prijs is overeengekomen.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 29 juli 2024 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 17 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, ECLI:NL:OGEAC:2024:145.
1.2
Bij op 9 september 2024 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] negen grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, uitvoerbaar bij voorraad de vordering van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van de stichting in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Bij op 12 november 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft de stichting de grieven van [appellant] bestreden en verzocht het vonnis van het Gerecht te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties.
1.4
Op 25 februari 2025 hebben beide partijen pleitnota’s ingediend.
1.5
De mondelinge behandeling door het Hof heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 november 2025. Beide partijen zijn met hun gemachtigden verschenen en hebben vragen van het Hof beantwoord.

2.De beoordeling

2.1
Feiten
2.1.1
De stichting als opdrachtgever en [appellant] als aannemer hebben in het najaar van 2021 mondeling een overeenkomst gesloten die inhield dat [appellant] voor rekening van de stichting een omheining zou bouwen rond een terrein, bedoeld voor de vestiging van een zwerfhonden
-sanctuary.
2.1.2 [
[appellant] heeft in oktober tot en met december 2021 (een deel van) de overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd. Hij heeft voor het arbeidsloon van hemzelf en zijn met naam genoemde arbeiders, vermeerderd met, onder andere, de posten ‘betonmolen’ en ‘generator’, facturen van in totaal NAf 33.795 ter goedkeuring bij de stichting ingediend. De stichting heeft deze facturen allemaal betaald.
2.1.3 [
[appellant] heeft een begroting voor de werkzaamheden gemaakt die sluit op NAf 55.822. Voor het eerst bij brief van 10 december 2022 heeft [appellant] schriftelijk aanspraak gemaakt op betaling van het verschil, groot NAf 22.372, tussen deze volgens hem overeengekomen prijs en het bedrag dat de stichting heeft betaald. De stichting heeft die aanspraak niet gehonoreerd.
2.1.4
De stichting heeft vóór aanvang van het werk, na een gesprek tussen haar voorzitter G. Berry en [appellant], voor intern gebruik een begroting gemaakt die sluit op NAf 32.589,70
2.1.5
De stichting heeft in een subsidieaanvraag aan het Land het werk begroot op NAf 190.148,10.
2.2
Vorderingen
2.2.1 [
appellant] vordert, in hoger beroep ongewijzigd, de veroordeling van de stichting om NAf 22.372 aan hem te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] legt aan deze vordering primair ten grondslag dat partijen de aanneemsom van NAf 55.822 zijn overeengekomen, waarvan de stichting ondanks sommatie een deel (het gevorderde bedrag) onbetaald laat. Subsidiair, voor het geval dat wordt geoordeeld dat geen vaste prijs is overeengekomen, legt [appellant] aan zijn vordering ten grondslag dat op de voet van art. 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs moet worden bepaald, die gelijk zou moeten zijn aan de volgens hem overeengekomen prijs.
2.2.2
De stichting voert als verweer dat geen vaste aanneemsom maar een dagloon is overeengekomen. Door de voldoening van de betreffende facturen heeft zij aan haar betalingsverplichtingen voldaan, aldus de stichting. In voorwaardelijke reconventie, voor het geval dat enige vordering van [appellant] in conventie mocht worden toegewezen, vordert de stichting zijn veroordeling tot betaling van NAf 53.930,15 te vermeerderen met rente en kosten. De stichting legt aan deze vordering ten grondslag dat zij voor dit bedrag schade heeft geleden als gevolg van door [appellant] bij de bouw gemaakte fouten
2.3
Beslissingen van het Gerecht
Het Gerecht heeft de vordering van [appellant] in conventie afgewezen, en is daarom niet toegekomen aan een oordeel in de voorwaardelijke reconventie. De beslissing in conventie is erop gebaseerd dat [appellant] zijn stelling dat een prijs van NAf 55.822 is overeengekomen onvoldoende heeft onderbouwd terwijl vaststaat dat de stichting het door [appellant] gefactureerde loon heeft betaald, zodat [appellant] niets meer te vorderen heeft.
2.4
Beoordeling door het Hof
2.4.1
Gebleken is dat [appellant] onvermogend is, reden waarom het Hof hem verlof tot kosteloos procederen verleent.
Vaste prijs overeengekomen?
2.4.2 [
appellant] heeft gesteld dat partijen de vaste prijs van NAf 55.822, zoals hij die had begroot, zijn overeengekomen. De toenmalige voorzitter van de stichting,
Berry, zou daarmee akkoord zijn gegaan. De stichting heeft enig akkoord over een vaste prijs gemotiveerd betwist; zij stelt dat zij de begroting van [appellant] pas heeft gezien doordat deze als productie bij het verzoekschrift zat. [appellant] heeft geen bewijs van de juistheid van zijn stelling geleverd. Hij heeft dit ook niet voldoende specifiek aangeboden. Het specifieke bewijsaanbod dat hij wel heeft gedaan, in de memorie van grieven onder 13 en herhaald in de pleitnota, ziet kennelijk op zijn verweer in reconventie en op de begroting van de stichting voor het Land (zie 2.1.5). Op de primaire grondslag kan de vordering dus niet worden toegewezen.
De grieven falen voor zover gericht tegen de afwijzing door het Gerecht van de vordering op de primaire grondslag.
Andere prijs overeengekomen?
2.4.3
De rechter moet zijn oordeel over de inhoud van een overeenkomst, wanneer die - zoals in dit geval - niet duidelijk is, behalve op (1) de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de verklaring van de ander mochten toekennen, ook baseren op (2) de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst (zie HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2012:BX5572).
2.4.4
Over (1) wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst over en weer hebben verklaard, staat niets vast dat een oordeel over de overeengekomen prijs zou kunnen dragen. Wel staat vast (2) dat [appellant] wekelijks facturen voor het arbeidsloon (en, voor een klein deel, het gebruik een generator, een betonmolen, brandstof en water) ter goedkeuring aan de stichting heeft gestuurd en dat de stichting deze facturen allemaal heeft goedgekeurd en betaald. Pas een jaar na de laatste factuur en de oplevering van het werk heeft [appellant] aanspraak gemaakt op betaling van het onbetaalde gedeelte van de volgens hem overeengekomen, vaste aanneemsom. Van tussentijdse (mondelinge) betalingsherinneringen is althans niet gebleken. Het bedrag dat de stichting heeft betaald komt in hoge mate overeen met de begroting die zij, voor intern gebruik maar mede op grond van door [appellant] geschapen verwachtingen omtrent het aantal te werken uren, had gemaakt (zie 2.1.4). [appellant] heeft geen facturen ingediend die betrekking zouden kunnen hebben op meer of andere uren of materialen dan de stichting heeft betaald.
2.4.5
Op grond van deze feiten oordeelt het Hof dat partijen een prijs zijn overeengekomen, die zal worden gevormd door de door [appellant] en zijn arbeiders te besteden, tegen een vast dagloon (NAf 150 resp. NAf 175) in rekening te brengen werkuren. Aan haar verplichting tot betaling van deze, overeengekomen, prijs heeft de stichting voldaan. Bepaling van een redelijke prijs zoals bedoeld in art. 7:752 lid 1 BW is dan niet aan de orde. Voor het oordeel van het Hof komt dan ook geen betekenis toe aan de begroting die de stichting voor het Land heeft gemaakt (zie 2.1.5).
De grieven falen eveneens voor zover gericht tegen de afwijzing door het Gerecht van de vordering op de subsidiaire grondslag.
2.4.6
Het Hof heeft zich tot slot de vraag gesteld of [appellant] moet worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de vaststelling dat partijen een prijs gebaseerd op de feitelijk gewerkte uren zijn overeengekomen. Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend omdat [appellant], naast hetgeen hiervoor onder 2.4.2 is beoordeeld, niets heeft aangevoerd dat, indien het zou komen vast te staan, tot een ander oordeel zou kunnen leiden.
In voorwaardelijke reconventie
2.4.7
De voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld is niet vervuld, zodat het Hof in reconventie niet zal oordelen.
Slotsom
2.4.8
Het vonnis wordt bevestigd. [appellant], de in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de proceskosten van de stichting in hoger beroep. Deze worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot zoals hierna vermeld.
B E S L I S S I NG
Het Hof:
verleent aan [appellant] verlof om kosteloos te procederen;
bevestigt het tussen partijen gewezen en op 17 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van de stichting, begroot op Cg 291,91 aan verschotten en Cg 3.750 aan salaris gemachtigde, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na vandaag te vermeerderen net de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vandaag.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.