Uitspraak
Verder heeft het Gerecht geoordeeld dat appellante tevergeefs betoogt dat zij op grond van artikel 14 van Pro het Toelatingsbesluit gelijkgesteld moet worden aan iemand met een verblijfsvergunning, waardoor de minister geen uitzettingsbevel tegen haar mocht uitvaardigen. Daarbij heeft het Gerecht van belang geacht dat de aanvraag om een verblijfsvergunning van appellante is afgewezen op 10 april 2024.
Tot slot heeft het Gerecht overwogen dat het betoog van appellante over zicht op legalisatie van haar verblijfsstatus, niet tot het oordeel leidt dat de minister in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om een uitzettingsbevel uit te vaardigen. Daarbij heeft het Gerecht meegewogen dat appellante tijdens de behandeling van het beroep op 29 januari 2025 nog geen geldige verblijfsvergunning had.
Appellante voert daartoe aan dat ze voor de einddatum van haar eerste verblijfsvergunning een aanvraag om een nieuwe verblijfsvergunning heeft ingediend. De minister heeft daar niet op beslist voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste verblijfsvergunning. Volgens appellante volgt uit de artikelen 14 en 15 van het Toelatingsbesluit dat zij in die situatie gelijk moet worden gesteld aan iemand die een geldige verblijfsvergunning heeft.
De minister heeft volgens haar te meer ten onrechte een uitzettingsbevel uitgevaardigd, nu de afwijzing van haar verzoek om een nieuwe verblijfsvergunning geen stand zal houden gezien haar toelichting op de solvabiliteitseisen in het bezwaar tegen de afwijzing.
Tot slot betoogt appellante dat de minister te vroeg op haar bezwaar tegen het uitzettingsbevel heeft beslist. Zij wijst op artikel 15, eerste lid, artikel 19, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, van de Lar. Volgens haar volgt daaruit dat de minister niet eerder mag beslissen dan na twaalf weken na ontvangst van een bezwaarschrift.
Geldige verblijfsvergunning dan wel daaraan gelijkgestelde situatie?
Er is geen sprake van een situatie waarin appellante gelijk moest worden gesteld met een persoon die in het bezit is van een vergunning tot tijdelijk verblijf, als bedoeld in artikel 14, zevende lid, van het Toelatingsbesluit. Die situatie deed zich wel voor tussen 14 januari 2024 en 10 april 2024, omdat de minister niet op het verzoek om een tweede verblijfsvergunning heeft beslist voor het aflopen van de eerste verblijfsvergunning. Die situatie is echter geëindigd na de afwijzing van het verzoek om een tweede verblijfsvergunning op 10 april 2024. Dat die situatie zich op enig moment heeft voorgedaan is niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden beschikking, omdat de minister pas daarna, op 24 juli 2024, het uitzettingsbevel heeft uitgevaardigd.
Bezwaar tegen afwijzing verzoek om tweede verblijfsvergunning
Beslistermijn
[…]
5. Degene die langer in Aruba verblijf wenst te houden dan het in zijn vergunning tot tijdelijk verblijf genoemde uiterste datum van het toegestane verblijf, en die daaromtrent voor die datum een beslissing wenst te hebben, dient uiterlijk negentig dagen voor het einde van de eerst bedoelde datum bij de Minister een verzoek om verlening van een nieuwe vergunning in.
7. Met een persoon die in het bezit is van een vergunning tot tijdelijk verblijf, wordt gelijkgesteld degene op wiens overeenkomstig het vijfde lid gedane verzoek niet beslist is voor het einde van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot tijdelijk verblijf.
1. De toelatingsplichtige:
a. wiens vergunning tot tijdelijk verblijf is verlopen, en die niet overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, om verlening van een nieuwe vergunning heeft verzocht,
b. wiens overeenkomstig artikel 14, zesde lid, gedaan verzoek om verlening van een nieuwe vergunning tot tijdelijk verblijf is geweigerd,
verlaat Aruba binnen dertig dagen na het verlopen de vergunning, respectievelijk na de datum van weigering.
[…]
Landsverordening administratieve rechtspraak
Tenzij het bestuursorgaan het bezwaarschrift op grond van artikel 12, eerste lid, of artikel 14, tweede lid, niet-ontvankelijk heeft verklaard, stelt het het bezwaarschrift en de daarop betrekking hebbende stukken in handen van de bezwaaradviescommissie:
a. uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift, of
b. indien toepassing is gegeven aan artikel 14, eerste lid, uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van het antwoord van de indiener of na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn.
Artikel 19
1. De bezwaaradviescommissie brengt het bestuursorgaan advies uit binnen vier weken nadat zij het bezwaarschrift van het bestuursorgaan heeft ontvangen.
[…]
1. Het bestuursorgaan neemt de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.
[…]