Uitspraak
Op 1 juli 2013 is X naar Nederland verhuisd en in augustus 2013 is de woning waarin appellante werkzaam was overgedragen aan [naam nieuwe eigenaar 1] en [naam nieuwe eigenaar 2]. Appellante is werkzaam gebleven als huishoudelijke hulp voor de nieuwe eigenaren. Daarnaast was zij werkzaam als hulp in de huishouding bij de heer [Y].
Op 8 december 2023 heeft appellante de Gouverneur gevraagd om bevestiging van haar verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN.
Op 7 mei 2014 heeft de minister aan haar een nieuwe verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend, onder de voorwaarde dat zij arbeid in loondienst verricht als dienstbode bij “de heer X”. De minister heeft later toegelicht dat de vermelding ”e.a.” per abuis niet in deze beschikking is opgenomen. Op 1 september 2015 heeft de minister aan appellante een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend.
Juridisch kader
Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring rust.
In artikel 22, eerste lid, van het Besluit verlies en verkrijging Nederlanderschap (hierna: BvvN) is opgenomen dat de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant onderzoekt.
Artikel 6, vijfde lid, van het BvvN bepaalt dat de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt, kan verlangen dat de optant de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.
Uit artikel 21, eerste lid, van het BvvN volgt verder dat de verstrekte gegevens getoetst worden aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen en uit het vijfde lid volgt dat de Gouverneur voor zover mogelijk de juistheid onderzoekt van de gegevens die niet op die manier kunnen worden getoetst.
De bevoegdheid van de Gouverneur
In het geval van appellante staat in de verblijfsvergunningen van 19 april 2011 en van 7 mei 2014 dat zij wordt geacht niet te zijn toegelaten als zij niet aan de vergunningsvoorwaarden voldoet. Een van die voorwaarden is dat zij arbeid in loondienst als dienstbode verricht bij de heer X e.a.. Gelet op wat hiervoor is overwogen was de Gouverneur bevoegd om te onderzoeken of appellante aan deze voorwaarde voldeed.
De Gouverneur mag niet oordelen over de rechtmatigheid van de uitoefening van deze bevoegdheden door de minister. De Gouverneur moet daarom uitgaan van de juistheid van door de minister genomen beschikkingen krachtens de Ltu. Voor appellante betekent dit dat de Gouverneur moet uitgaan van de juistheid van de verblijfsvergunningen die de minister aan haar heeft verleend en van de daaraan verbonden voorwaarden, zoals het Gerecht terecht heeft overwogen.
Feitelijke grondslag van de besluitvorming
Beslissing
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15 januari 2025 in zaak nr. CUR202402407;
verklaarthet beroep
gegrond;
vernietigtde beschikking van de Gouverneur van Curaçao van 22 mei 2024, kenmerk OP-23/286/SCS;
bepaaltdat de Gouverneur binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak in een te nemen beschikking de optieverklaring van appellante bevestigt, tenzij uit nader onderzoek blijkt van andere weigeringsgronden;
gelastdat het Land Curaçao aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Cg. 450,- vergoedt.