ECLI:NL:OGHACMB:2025:188

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
AUA2024H00404
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 15 LarArt. 27 LarArt. 28 LarArt. 53d Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak wegens tijdige elektronische indiening beroepschrift en beoordeling immateriële schadevergoeding

Appellant stelde bezwaar tegen een beschikking van de minister tot ophouding en verzocht om een voorlopige voorziening, welke werd toegewezen. De minister verklaarde het bezwaar gegrond en kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens onrechtmatige vrijheidsontneming. Het Gerecht verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk vanwege vermeende termijnoverschrijding bij het indienen van het beroepschrift.

Het Hof oordeelde dat appellant het beroepschrift tijdig elektronisch had ingediend op 2 mei 2024, hetgeen het Gerecht niet had onderzocht. Hierdoor was het niet-ontvankelijk verklaren onterecht en werd de uitspraak vernietigd. Het Hof beoordeelde vervolgens de beroepsgronden, waarbij het bezwaar tegen het niet doorsturen van het bezwaarschrift naar de bezwaaradviescommissie werd verworpen omdat de minister het bezwaar al gegrond had verklaard.

Verder werd bevestigd dat de minister terecht een vergoeding van Afl. 80,- per dag toekende voor de periode van onrechtmatige vrijheidsontneming, ondanks dat het totale bedrag niet in de beschikking was benoemd. Het betoog over overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens verworpen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het beroep kennelijk ongegrond, en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van het Gerecht wegens onterecht niet-ontvankelijk verklaren van het beroep en bevestigt de vergoeding voor immateriële schade.

Uitspraak

AUA2024H00404
Datum uitspraak: 23 juli 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], verblijvend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 20 november 2024 in zaak nr. AUA202401682, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 20 maart 2022 heeft de minister de ophouding van appellant bevolen.
Op 24 maart 2022 heeft appellant daartegen bezwaar ingesteld. Ook heeft hij op die dag om een voorlopige voorziening verzocht.
Bij uitspraak van 24 maart 2022 heeft de voorzieningenrechter van het Gerecht de beschikking van 10 maart 2022 geschorst en de minister bevolen om appellant onmiddellijk in vrijheid te stellen (zaak nr. AUA202200787).
Bij beschikking met dagtekening 19 maart 2023, verzonden op 21 maart 2024, heeft de minister het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en daarbij vermeld dat aan hem een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend van Afl. 80,- per dag wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door drs. M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toestemming van partijen.

Overwegingen

Uitspraak van het Gerecht

1. Het Gerecht heeft overwogen dat de bestreden beschikking gedagtekend is op 19 maart 2023, maar op 21 maart 2024 per e-mail naar de gemachtigde van appellant is verstuurd. Daaruit volgt dat de beroepstermijn is begonnen op 22 maart 2024 en ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) is die termijn geëindigd op 2 mei 2024. Het Gerecht heeft vastgesteld dat appellant zijn beroepschrift heeft ingediend op 23 mei 2024. Het Gerecht heeft appellant bij brief van 28 juni 2024 in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat hij het beroepschrift zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kon worden heeft ingediend, als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Lar, maar daarop heeft hij niet geantwoord. Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling hoger beroep
2. Appellant betoogt terecht dat het Gerecht eraan voorbij is gegaan dat het fysieke exemplaar van het beroepschrift dat hij op 23 mei 2024 indiende, een afschrift is van een op 2 mei 2024 per e-mail ingediend beroepschrift. Hoewel het mogelijk is dat het Gerecht deze e-mail niet heeft onderkend en het appellant kan worden aangerekend dat hij niet heeft gereageerd op de brief van het Gerecht waarin zij informeerde naar eventuele redenen voor de veronderstelde termijnoverschrijding, had het op de weg van het Gerecht gelegen om hier nader onderzoek naar te doen. Daarvoor is doorslaggevend dat het fysiek ingediende exemplaar van het beroepschrift een geprinte versie van de e-mail van 2 mei 2024 is. Op deze e-mail staat bovenaan “Sent: Thursday, May 2, 2024 10:13 PM” en “To: bestuursrechtaruba ”. Uit de uitspraak van het Gerecht volgt niet dat zij vervolgens heeft gecontroleerd of zij op 2 mei 2024 al een beroepschrift per e-mail heeft ontvangen.
2.1.
Het Hof overweegt dat appellant met de overgelegde e-mail van 2 mei 2024 heeft aangetoond dat hij het pro forma beroepschrift op 2 mei 2024 elektronisch heeft ingediend bij het Gerecht. Gelet op het voorgaande betoogt appellant terecht dat het Gerecht het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog slaagt.
Tussenconclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het Hof beoordeelt het beroep met toepassing van artikel 53d, derde lid, van de Lar. Daarbij bespreekt het Hof alleen beroepsgronden waarover het Gerecht nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beoordeling beroep
4. Appellant betoogt tevergeefs dat de minister de bestreden beschikking in strijd met artikel 15 van Pro de Lar heeft genomen, door het bezwaarschrift niet in handen te stellen van de bezwaaradviescommissie (hierna: BAC). Appellant gaat er in deze beroepsgrond namelijk aan voorbij dat de minister het bezwaar gegrond heeft verklaard. Artikel 15 van Pro de Lar bevat weliswaar geen uitzondering voor de situatie waarin het bezwaar gegrond wordt verklaard, maar een logische wetsuitleg brengt met zich dat in een geval als dit, waarin de minister een bezwaarmaker geheel tegemoetkomt in zijn bezwaren, er geen reden is om het bezwaarschrift nog door te sturen naar de BAC. Het betoog slaagt niet.
4.1.
Appellant betoogt verder dat de minister in de bestreden beschikking terecht een vergoeding van Afl. 80,- per dag voor immateriële schade heeft opgenomen, maar niet het totale bedrag van de vergoeding heeft benoemd, wat volgens hem in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hiermee miskent hij echter dat duidelijk is dat het gaat over de periode van het bevel tot ophouding op 20 maart 2022 tot het bevel tot invrijheidsstelling op 24 maart 2022. Zoals appellant terecht stelt, leidt dat tot een vergoeding van Afl. 320,-. Het was vollediger geweest als de minister dit had geconcretiseerd in de beschikking, maar het achterwege laten daarvan leidt niet tot de conclusie dat de beschikking onrechtmatig is. Het betoog slaagt niet.
4.2.
Tot slot betoogt appellant tevergeefs dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden. De procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep heeft in geheel namelijk niet langer dan vier jaar geduurd. Het Hof verwijst naar de uitspraak van 18 januari 2017,
ECLI:NL:OGHACMB:2017:64 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:OGHACMB:2017:64), onder 1.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is kennelijk ongegrond. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De zaken met nrs. AUA2024H00405 en AUA2024H00404 worden gelet op hun samenhang beschouwd als één zaak. Het Hof stelt de proceskosten in deze samenhangende zaken vast op Afl. 700,- (1 punt voor het indienen van de hogerberoepschriften). In de uitspraak van vandaag in zaak nr. AUA2024H00405 is de proceskostenveroordeling al uitgesproken.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 20 november 2024 in zaak nr. AUA202401682;
verklaarthet beroep kennelijk
ongegrond;
gelastdat de minister van Justitie en Sociale Zaken aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025.