De verdachte verbleef als Nederlandse toerist van 2 oktober 2018 tot en met 30 juni 2021 illegaal op Bonaire, waarbij zij de vrije verblijfsperiode van 180 dagen met 732 dagen overschreed. Het Gerecht in Eerste Aanleg had haar veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van USD 2.500, waartegen hoger beroep is ingesteld.
Tijdens de terechtzitting op 23 oktober 2024 heeft het Hof het vonnis van het Gerecht vernietigd vanwege het ontbreken van een dictum en heeft het de bewezenverklaring bevestigd. De verdediging voerde onder meer aan dat de wettelijke grondslag voor de tenlastelegging ontbrak en dat de wetgeving in strijd zou zijn met het discriminatieverbod en het recht op vrije vestiging, maar deze verweren werden verworpen.
Het Hof oordeelde dat de verdachte de wet heeft overtreden door langer dan toegestaan op Bonaire te verblijven zonder geldige toelating. Gezien de omstandigheden, waaronder de persoonlijke situatie van de verdachte en haar financiële situatie, legde het Hof een geheel voorwaardelijke geldboete van USD 1.000 op met een proeftijd van één jaar. De straf zal niet ten uitvoer worden gelegd tenzij de verdachte binnen die periode opnieuw een strafbaar feit pleegt.