Appellant, geboren in Europees Nederland, werd op grond van artikel 16d van de Wtu BES ongewenst verklaard op de BES-eilanden wegens strafbare feiten en verblijf zonder geldige titel. Hij stelde dat de toepassing van de Wtu BES op hem onrechtmatig was en dat zijn verdragsrechten op grond van het EVRM en IVBPR werden geschonden.
Het Hof overwoog dat de Wtu BES ook van toepassing is op Nederlanders geboren buiten de BES-eilanden en dat de aangepaste voorbehouden bij het EVRM en IVBPR rechtsgeldig zijn, omdat zij aansluiten bij de gewijzigde Koninkrijksverhoudingen. De ongewenstverklaring beperkt appellant slechts op de BES-eilanden, niet in Europees Nederland, en vormt geen disproportionele inbreuk op zijn verblijfs- en verplaatsingsrechten.
Voorts is niet vereist dat de staatssecretaris een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de samenleving vaststelt bij het uitvaardigen van een ongewenstverklaring. De staatssecretaris heeft terecht geoordeeld dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde op de BES-eilanden. De bezwaren tegen de motivering en het beleid faalden, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.