Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2022:38

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
11 mei 2022
Publicatiedatum
7 juni 2022
Zaaknummer
SXM2021H00116, SXM2021H00117, SXM2021H00118 en SXM2021H00119
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 LzvArt. 8d LzvArt. 1 LovArt. 8c Lov
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslagen premie ziekte- en ongevallenverzekering Babitbay over 2013-2015

Babitbay Beach Development Corporation N.V. heeft bij het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen (USZV) bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen voor premie ziekte- en ongevallenverzekering over de jaren 2012 tot en met 2015. USZV handhaafde de aanslagen na bezwaar en het Gerecht in eerste aanleg verklaarde de beroepen ongegrond. Babitbay stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het Hof onderzocht of de betrokken personen als werknemers in dienstverband konden worden aangemerkt. Voor de accountant die payrolldiensten leverde, werd voldoende twijfel gezaaid over het bestaan van een dienstverband, waardoor de premies over die betalingen ten onrechte waren nageheven. Ook voor een arbeidskracht die een loongrens overschreed, was premieheffing onterecht.

Voor andere personen die werkzaamheden verrichtten namens Columbia Sussex Corporation (CSC) slaagde Babitbay er niet in twijfel te zaaien over het dienstverband. Het Hof vernietigde daarom de uitspraak voor de jaren 2013-2015 en beval USZV om binnen drie maanden opnieuw te beschikken, maar bevestigde het oordeel voor 2012. Tevens werden proceskosten aan USZV opgelegd.

Uitkomst: De naheffingsaanslagen over 2013-2015 worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van dienstverband en overschrijding loongrens, de aanslag over 2012 wordt bevestigd.

Uitspraak

SXM2021H00116, SXM2021H00117, SXM2021H00118 en SXM2021H00119
Datum uitspraak: 11 mei 2022
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op de hoger beroepen van:
de naamloze vennootschap Babitbay Beach Development Corporation N.V., gevestigd in Sint Maarten (hierna: Babitbay),
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van
27 augustus 2021 in zaken nrs. SXM202000576, SXM202000579, SXM202000581 en SXM202000582, in de gedingen tussen:
appellante
en
het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen (hierna: USZV)

Procesverloop

Bij beschikkingen van 24 april 2019 heeft USZV aan Babitbay naheffingsaanslagen premie ziekteverzekering en ongevallenverzekering voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 opgelegd.
Bij beschikkingen van 28 mei 2020 heeft USZV de door Babitbay daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 november 2020 heeft het Gerecht de daartegen door Babitbay ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Daartegen heeft Babitbay hoger beroepen ingesteld.
USZV heeft verweerschriften ingediend.
Babitbay heeft nadere stukken ingediend.
Het Hof heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld in Curaçao op 4 april 2022. Partijen hebben aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding met Sint Maarten. Babitbay, vertegenwoordigd door mr. G.J. Bergman, advocaat, en USZV, vertegenwoordigd door mr. M.M. Hofman-Ruigrok, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

Op grond van artikel 8d van de Landsverordening ziekteverzekering (hierna: de Lzv) en artikel 8c van de Landsverordening ongevallenverzekering (hierna: de Lov) is USZV bevoegd om te weinig afgedragen premie door middel van een aanslag na te heffen bij de werkgever.
USZV heeft over de jaren 2012 tot en met 2015 een looncontrole gedaan bij Babitbay ter bepaling van de loonsommen voor de heffing van premie. Naar aanleiding daarvan hebben ook besprekingen plaatsgevonden tussen Babitbay en USZV. Daarbij heeft Babitbay verschillende stukken overgelegd, waaronder haar jaarrekeningen, de grootboekrekeningen en de salarisadministratie. Vervolgens heeft USZV op 16 april 2019 een looncontrolerapport vastgesteld. Op basis daarvan heeft USZV bij de beschikkingen van 24 april 2019, na bezwaar gehandhaafd bij de beschikkingen van 28 mei 2020, naheffingsaanslagen opgelegd voor de jaren 2012 tot en met 2015.
De hoger beroepen
3. Ter zitting is vastgesteld dat de hoger beroepen beperkt zijn tot (i) de vraag of [accountant] en de personen die namens Columbia Sussex Corporation (hierna: CSC) werkzaamheden voor Babitbay hebben verricht, door USZV terecht als werknemer in de zin van de Lzv en de Lov zijn aangemerkt op de grond dat tussen die personen en Babitbay een dienstverband bestaat en (ii) de vraag of over de betalingen aan [arbeidskracht] terecht premie voor de Lzv is geheven.
3.1.
Artikel 1 van Pro de Lzv, voor zover hier van belang, definieert een werknemer als een ieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht, behalve:
- losse werknemers, waaronder wordt verstaan werknemers die als regel geen twaalf achtereenvolgende dagen, niet meegerekend zondagen en feestdagen als bedoeld in de Arbeidsregeling, in dienst van de werkgever zijn;
-degene die een dagloon geniet hoger dan NA
f217,36 indien voor hem een
6-daagse werkweek geldt, ongeacht of dit loon bij een of meer werkgevers wordt genoten;
-degene die een dagloon geniet hoger dan NA
f260,83 indien voor hem een
5-daagse werkweek geldt, ongeacht of dit loon bij een of meer werkgevers wordt genoten.
Artikel 1 van Pro de Lov, voor zover hier van belang, definieert een werknemer als een ieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht.
3.2.
In zijn uitspraak van 18 november 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:255, heeft het Hof overwogen dat voor het aannemen van een dienstverband in de zin van de Lzv of de Lov vereist is dat de desbetreffende opdrachtnemer verplicht is de arbeid persoonlijk te verrichten, de opdrachtgever verplicht is loon te betalen en tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer, wat betreft de te verrichten arbeid, een gezagsverhouding bestaat.
Verder heeft het Hof in zijn uitspraak van 11 augustus 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:208, over de naheffingsaanslag aan Babitbay over het jaar 2011 overwogen dat Babitbay de betalingen aan de betrokken personen in haar financiële administratie heeft opgevoerd als loonbetalingen en dat USZV er daarom van uit mocht gaan dat dit juist is en dat er tussen die personen en Babitbay een dienstverband bestaat. Het is vervolgens aan Babitbay om daarover, in geval van betwisting, voldoende twijfel te zaaien.
3.3.
Over de loonbetalingen die blijkens de grootboekrekeningen in 2013 en 2014 aan [accountant] zijn verricht, heeft Babitbay in hoger beroep nader toegelicht dat zij een zelfstandig accountant is in Puerto Rico en vanuit haar bedrijf [naam bedrijf] payrolldiensten heeft verleend aan Babitbay. Ter onderbouwing daarvan zijn overgelegd een factuur van genoemd bedrijf aan Babitbay en bankoverschrijvingen van Babitbay aan genoemd bedrijf. Gelet hierop heeft Babitbay naar het oordeel van het Hof voldoende twijfel gezaaid over het bestaan van een dienstverband tussen Babitbay en [accountant] en kan zij niet als werknemer in de zin van de Lzv en Lov worden aangemerkt. Derhalve heeft USZV ten onrechte premie nageheven over de betalingen die blijkens de grootboekrekeningen in 2013 en 2014 aan [accountant] zijn verricht. Dit betoog slaagt.
3.4.
Wat [arbeidskracht] betreft, stelt het Hof vast dat Babitbay blijkens de grootboekrekeningen aan [arbeidskracht] in 2014 een bedrag van NA
f121.502,80 en in 2015 een bedrag van NA
f182.450,- heeft betaald. Babitbay betoogt terecht dat die betalingen de loongrens, bedoeld in artikel 1 van Pro de Lzv, overschrijden. Derhalve is [arbeidskracht] geen werknemer in de zin van de Lzv en heeft USZV ten onrechte premie voor de Lzv nageheven over de betalingen die blijkens de grootboekrekeningen in 2014 en 2015 aan [arbeidskracht] zijn verricht. Dit betoog slaagt.
3.5.
Over de overige personen die namens CSC werkzaamheden hebben verricht is het Hof van oordeel dat Babitbay er niet in is geslaagd voldoende twijfel te zaaien over het bestaan van een dienstverband. Zoals het Hof in de uitspraak van 11 augustus 2021 heeft overwogen, is het gegeven dat er geen arbeidsovereenkomsten tussen de desbetreffende personen en CSC zijn overgelegd, samen met de lonen die Babitbay aan de desbetreffende personen heeft betaald, toereikend om aan te nemen dat er sprake is van een dienstverband. Dat er volgens Babitbay geen schriftelijke arbeidsovereenkomsten zijn tussen de desbetreffende personen en CSC omdat zij werken op basis van het principe "employment at will", is onvoldoende om aan het bestaan van een dienstverband met Babitbay te twijfelen. Weliswaar is met de overgelegde "Wage and Tax Statements" aangetoond dat die personen in de gecontroleerde jaren in dienst waren bij een Amerikaanse werkgever en aangifte hebben gedaan van hun ontvangen loon, maar daarmee is niet uitgesloten dat die personen in de controlejaren óók in dienst waren bij Babitbay. Dat die personen naar Babitbay stelt slechts een beperkt aantal dagen per jaar in Sint Maarten hebben gewerkt, vindt in de gegevens in de grootboekrekeningen geen steun en doet ook los daarvan aan het vermoeden van een dienstverband met Babitbay niet af. Dit betoog slaagt niet.
Slotsom
4. De hoger beroepen inzake de controlejaren 2013, 2014 en 2015 zijn gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het Gerecht de beroepen inzake de controlejaren 2013, 2014 en 2015 ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep inzake het controlejaar 2012 is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd. Het Hof zal de beschikkingen over de controlejaren 2013, 2014 en 2015 vernietigen en USZV opdragen om binnen drie maanden met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beschikken op de gemaakte bezwaren tegen de beschikkingen over die controlejaren.
5. USZV moet de proceskosten vergoeden. Het Hof stelt voor deze samenhangende zaken de proceskosten in beroep vast op een bedrag van NA
f1.400,- (1 punt voor het indienen van beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en in hoger beroep op een bedrag van NA
f1.400,- (1 punt voor het indienen van hogerberoepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 27 augustus 2021 in zaken nrs. SXM202000576, SXM202000579, SXM202000581 en SXM202000582 voor zover de beroepen in zaken nrs. SXM202000579, SXM202000581 en SXM202000582 over de controlejaren 2013, 2014 en 2015 ongegrond zijn verklaard en
bevestigtdie uitspraak voor zover daarbij het beroep in zaak SXM202000576 over het controlejaar 2012 ongegrond is verklaard;
II.
verklaartde beroepen in zaken nrs. SXM202000579, SXM202000581 en SXM202000582 over de controlejaren 2013, 2014 en 2015
gegrond;
III.
vernietigtde beschikkingen van het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen van 28 mei 2020 voor zover die gaan over de controlejaren 2013, 2014 en 2015;
IV.
draagthet Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen
opom binnen drie maanden met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen opnieuw te beschikken op de door Babitbay Beach Development Corporation N.V. gemaakte bezwaren tegen de beschikkingen over de controlejaren 2013, 2014 en 2015;
V.
veroordeelthet Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen tot vergoeding van bij Babitbay Beach Development Corporation N.V. in verband met de beroepen en de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van NA
f2.800,-, geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;
VI.
gelastdat het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen aan Babitbay Beach Development Corporation N.V. het door haar voor de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen betaalde griffierecht tot een bedrag van NA
f1.350,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en
mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022.