In deze zaak stond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen centraal, waarbij specifiek werd gedebatteerd over de schulden van een vennootschap waarvan de vrouw bestuurder was. Het Hof oordeelde dat schulden van de vennootschap zelf niet tot de gemeenschap behoren, maar dat persoonlijke aansprakelijkheid van de vrouw als bestuurder voor die schulden wel tot de gemeenschap behoort indien de aansprakelijkstelling vóór 11 mei 2011 is uitgebracht.
De vrouw werd onbetwist aansprakelijk gehouden voor bepaalde sociale premies en belastingen van de vennootschap, met name SVB-schulden. Het Hof bepaalde dat deze schulden gelijkelijk verdeeld moeten worden tussen partijen, zonder uitzondering, ook al waren deze het gevolg van fouten van een van de echtelieden. De vrouw had de onderneming gefaciliteerd en de inkomsten kwamen het gezin ten goede.
Verder bepaalde het Hof dat alleen de schulden die op het moment van verdeling nog bestonden, verdeeld konden worden en dat de waarde van die schulden op dat moment bepalend is. De vrouw overhandigde overzichten waaruit bleek dat per 10 juni 2021 nog een bedrag van NAf 236.003,56 aan vennootschapsschulden openstond, waarvan NAf 91.121,27 toerekenbaar was aan haar aansprakelijkheid. Dit bedrag werd toegedeeld aan de vrouw met verrekening van de overwaarde.
De verdeling van overige boedelbestanddelen bleef ongewijzigd. Het Hof vernietigde het eerdere vonnis gedeeltelijk en bepaalde dat de man aan de vrouw een bedrag van NAf 71.244,88 moet betalen uit hoofde van overbedeling. De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.