Uitspraak
Uit de uitspraak in John tegen Griekenland, arrest van 10 mei 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0510JUD000019905, volgt dat het bestuursorgaan in geval van een ten behoeve van verwijdering gedetineerde vreemdeling voortvarend dient te handelen met betrekking tot de verwijdering.
Uit de uitspraak in Meric tegen Nederland, arrest van 18 september 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0918DEC004982099, en de uitspraak in Erdogan tegen Nederland, arrest van 18 september 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0918DEC004981699, volgt dat het niet in het individuele belang van de in bewaring gestelde vreemdeling is, noch in het algemeen belang, dat haastig wordt beslist op een door die vreemdeling ingediend asielverzoek, zonder aandacht voor alle relevante aspecten en bewijsmiddelen. Gelet op de belangen van de vreemdeling en hetgeen met diens aanvraag op het spel stond achtte het EHRM een behandelduur van ruim drie weken voor diens beschermingsverzoek ondanks het feit dat hij in bewaring verbleef niet onaanvaardbaar.
In paragraaf 10.5 van de HIG is onder meer vermeld dat voor de termijn van de inbewaringstelling geen wettelijke maximale termijn bestaat, maar dat de inbewaringstelling redelijkerwijs niet langer dient te duren dan de tijd die nodig is om de vreemdeling daadwerkelijk te verwijderen. Uitgangspunt is dat wanneer na zes maanden nog geen verwijdering heeft plaatsgevonden, in beginsel wordt aangenomen dat geen zicht op verwijdering bestaat, en dat de bewaring dient te worden opgeheven. Voor het langer laten voortduren van de bewaring kan echter aanleiding zijn indien de vreemdeling willens en wetens het onderzoek naar zijn identiteit frustreert of als het zeer waarschijnlijk is dat de vreemdeling korte tijd na het verstrijken van de zes maanden verwijderd kan worden.
f1.400,- (voor het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en in hoger beroep op NA
f1.400,- (voor het indienen van een hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting).
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 3 februari 2021 in zaak nr. CUR202004657, voor zover de inbewaringstelling van [appellant] niet als onrechtmatig is beoordeeld;
verklaarthet in die zaak ingestelde beroep
gegrond;
vernietigtde beschikking van de minister van Justitie van 19 oktober 2020, voor zover daarbij de inbewaringstelling van [appellant] vanaf 27 november 2020 is gehandhaafd;
veroordeeltde minister van Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NA
f2.800,-, geheel toe rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;
gelastdat de minister van Justitie aan [appellant] het door hem van de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van NA
f450,- vergoedt.