ECLI:NL:OGHACMB:2021:37

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
28 januari 2021
Zaaknummer
AUA2020H00030
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 LarArt. 37 LarArt. 53c Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen afwijzing voorlopige voorziening internationale bescherming

Appellant heeft een verzoek om internationale bescherming ingediend dat door de minister is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend, dat door het Gerecht in eerste aanleg van Aruba is afgewezen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing van de voorlopige voorziening.

Het Hof overweegt dat tegen uitspraken op verzoeken om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 54 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van een ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen of de procesorde. De door appellant aangevoerde gronden zijn onvoldoende om het appèlverbod te doorbreken.

Daarom verklaart het Hof zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 27 januari 2021.

Uitkomst: Het Hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot voorlopige voorziening.

Uitspraak

AUA2020H00030
Datum uitspraak: 27 januari 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van
4 maart 2020 in zaak nr. AUA201904353, op het verzoek van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 54 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), hangende het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij beschikking van 29 mei 2018 heeft de minister een verzoek van appellant om internationale bescherming afgewezen.
Op 30 november 2019 heeft appellant daartegen een bezwaarschrift ingediend.
Op 16 december 2019 heeft appellant een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
Bij uitspraak van 4 maart 2020 heeft het Gerecht dit verzoek afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het Hof het onderzoek met toepassing van artikel 37, vijfde lid, in verbinding gelezen met artikel 53c, eerste lid, van de Lar heeft gesloten.
Overwegingen
De uitspraak van het Gerecht, waartegen het hoger beroep zich richt, betreft een uitspraak op een verzoek als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Lar. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:99) staat tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep bij het Hof open.
Voor doorbreking van een appèlverbod kan grond bestaan, als sprake is van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Wat appellant daarover heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat deze situatie zich in dit geval voordoet.
Het Hof is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.
w.g. voorzitter
w.g. griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021