ECLI:NL:OGHACMB:2021:34

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
27 januari 2021
Zaaknummer
AUA2020H00074
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 LarArt. 37 LarArt. 53c Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Hof in hoger beroep tegen voorlopige voorziening in verblijfsvergunningzaak

Appellante vroeg een vergunning tot tijdelijk verblijf om als inwonende dienstbode te werken, welke door de minister werd afgewezen. Zij diende bezwaar in en verzocht om een voorlopige voorziening, welke door het Gerecht in eerste aanleg werd afgewezen. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het Hof overwoog dat tegen uitspraken op verzoeken om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 54 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen. De aangevoerde gronden boden daartoe geen aanleiding.

Daarom verklaarde het Hof zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 27 januari 2021.

Uitkomst: Het Hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van de voorlopige voorziening.

Uitspraak

AUA2020H00074
Datum uitspraak: 27 januari 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van
27 mei 2020 in zaak nr. AUA20200888, op het verzoek van appellante tot het treffen van een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 54 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), hangende het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2020 heeft de minister een verzoek van appellante om aan haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen om als inwonende dienstbode werkzaam te zijn, afgewezen.
Op 10 maart 2020 heeft appellante daartegen een bezwaarschrift ingediend.
Op 13 maart 2020 heeft appellante een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
Bij uitspraak van 27 mei 2020 heeft het Gerecht dit verzoek afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het Hof het onderzoek met toepassing van artikel 37, vijfde lid, in verbinding gelezen met artikel 53c, eerste lid, van de Lar, heeft gesloten.
Overwegingen
De uitspraak van het Gerecht, waartegen het hoger beroep zich richt, betreft een uitspraak op een verzoek als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Lar. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:99) staat tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep bij het Hof open.
Voor doorbreking van een appèlverbod kan grond bestaan, als sprake is van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Wat appellant daarover heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat deze situatie zich in dit geval voordoet.
Het Hof is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.
w.g. voorzitter
w.g. griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021