Uitspraak
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
“de arbeidsovereenkomst tussen RBC en mevrouw [appellant] ontbindt, voorwaardelijk, voor zover komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen RBC en mevrouw [appellant] nog niet op 31 december 2019 is geëindigd, tegen de vroegst mogelijke datum onder toekenning van een door Uw gerecht in goede justitie te bepalen vergoeding”.Het Hof merkt terzijde op dat het feit dat het ontbindingsverzoek niet alleen voorwaardelijk maar ook nog eens subsidiair is ingesteld, tot gevolg heeft gehad dat het Gerecht hieraan – na toewijzing van het primaire verzoek namelijk – niet meer kon toekomen. De klacht van RBC dat het Gerecht ten onrechte artikel 7A:1615w BW buiten toepassing heeft gelaten is dan ook ongegrond; dat is immers enkel te wijten aan RBC zelf die het voorwaardelijke ontbindingsverzoek subsidiair heeft ingesteld. Voor het verdere verloop van deze procedure is dit niet meer van belang gezien de omstandigheid dat het Hof het primaire verzoek alsnog zal afwijzen en dus wel toekomt aan het ontbindingsverzoek. Nu het Hof het primaire verzoek zal afwijzen, zal het Hof, voor het geval dat die afwijzing onherroepelijk wordt, hieronder overgaan tot de beoordeling van het ontbindingsverzoek.