ECLI:NL:OGHACMB:2020:239

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
AUA2019H00167
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Retributie- en legesbesluit Directie Infrastructuur en PlanningArtikel 32 Landsverordening administratieve rechtspraakArtikel 37, vijfde lid, Landsverordening administratieve rechtspraakArtikel 53c, eerste lid, Landsverordening administratieve rechtspraakArtikel 53d, tweede lid, Landsverordening administratieve rechtspraak
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar precariovergunning

Appellante, gevestigd te Aruba, ontving een precariovergunning onder bepaalde voorwaarden. Zij maakte bezwaar tegen deze voorwaarden en stelde beroep in tegen de fictieve afwijzing van haar bezwaar. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep niet-ontvankelijk na vereenvoudigde behandeling.

Het Hof oordeelt anders dan het Gerecht en stelt dat tegen de vergunningvoorwaarden bezwaar en beroep mogelijk zijn omdat deze voorwaarden deel uitmaken van de aan appellante verleende vergunning en niet gelijkgesteld kunnen worden aan besluiten van algemene strekking. Het feit dat deze voorwaarden voor iedereen gelden die een dergelijke vergunning aanvraagt, doet hieraan niet af.

Daarom vernietigt het Hof de uitspraak van het Gerecht en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelt het Hof de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van de proceskosten van appellante en bepaalt het over de griffierechten. De uitspraak werd gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op 27 oktober 2020.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, eerdere niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

AUA2019H00167
Datum uitspraak: 27 oktober 2020
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van
24 juni 2019 in zaak nr. AUA201900224 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister).

Procesverloop

Aan appellante is een precariovergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Retributie- en legesbesluit Directie Infrastructuur en Planning, onder voorwaarden verleend.
Op 4 september 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder de precariovergunning aan haar is verleend.
Op 21 januari 2019 heeft appellante beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door haar gemaakte bezwaar (fictieve afwijzing).
Bij uitspraak van 24 juni 2019 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep, na vereenvoudigde behandeling van het beroep in de zin van artikel 32 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het Hof het onderzoek met toepassing van artikel 37, vijfde lid, in verbinding gelezen met artikel 53c, eerste lid, van de Lar, heeft gesloten.

Overwegingen

Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat tegen de hier bestreden vergunningvoorwaarden bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld, zoals appellante ook heeft gedaan. Immers, die voorwaarden vormen een onderdeel van de verleende vergunning van appellante en zijn, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet gelijk te stellen aan besluiten van algemene strekking (vergelijk r.o. 2.3.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5363). Dat het hier zou gaan om voorwaarden die gelden voor een ieder die om een vergunning als hier aan de orde verzoekt, doet daaraan niet af, want zij binden appellante op grond van deze aan haar gerichte beschikking.
Gezien het hiervoor overwogene, heeft het Gerecht het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zal daarom de uitspraak van het Gerecht vernietigen en de zaak terugwijzen (op de voet van artikel 53d, tweede lid, van de Lar) naar het Gerecht, voor de behandeling van het inhoudelijke geschil.
Redelijke toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Lar, brengt met zich dat de minister op na te melden wijze in de proceskosten dient te worden veroordeeld.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht van 24 juni 2019 in zaak nr. AUA201900224;
wijsthet geding
terugnaar het Gerecht ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak;
steltde door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten
vastop een bedrag van Afl. 700,- (zegge: zevenhonderd Arubaanse florijn) en
bepaaltdat het Gerecht beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
veroordeeltde minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van Afl. 700,- (zegge: zevenhonderd Arubaanse florijn), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
stelt vastdat appellante voor de behandeling van het beroep griffierecht ten bedrage van Afl. 25,- (zegge: vijfentwintig Arubaanse florijn) heeft betaald en
bepaaltdat het Gerecht beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
gelastdat de minister van Infrastructuur en milieu aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- (zegge: vijfenzeventig Arubaanse florijn) vergoedt;
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en
mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.
w.g. Saleh
w.g. Meyer-de Beer
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2020