Uitspraak
appellant,
Procesverloop
Overwegingen
Ingevolge artikel 33, eerste lid, zal geen der Verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.
Ingevolge artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Wtu BES, kan de staatssecretaris een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verlenen om redenen verband houdend met bescherming aan de vreemdeling die:
a. verdragsvluchteling is;
b. aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Hij heeft deelgenomen aan demonstraties tegen de Venezolaanse autoriteiten in Caracas op 20 en 21 juni 2017. Tijdens de demonstraties heeft hij video-opnamen gemaakt en die op sociale media geplaatst. In de periode van 24 tot 27 juni 2017 heeft hij deelgenomen aan twee demonstraties op Isla Margarita. Omdat hij heeft deelgenomen aan die demonstraties hebben Colectivos op 27 juni 2017 een inval gedaan in zijn woning en is hem te verstaan gegeven niet meer deel te nemen aan demonstraties. Hij en zijn partner zijn daarbij vastgehouden, ontvoerd en beroofd. Na dit incident is hij naar vrienden in een andere gemeente verhuisd. Daar heeft hij een café/restaurant gehuurd, dat door een manager dagelijks werd geleid, terwijl appellant zelf op de achtergrond bleef.
Op 11 februari 2018 wilde appellant met zijn dochter en de moeder van zijn partner afreizen naar Trinidad en Tobago en zijn zij op de luchthaven van Isla Margarita aangehouden en aldaar een etmaal vastgehouden, omdat zijn partner asiel had gevraagd in Trinidad. Hij is pas vrijgelaten nadat hij al zijn geld had afgegeven. Na dit voorval heeft hij zijn zaak gesloten en heeft hij in verschillende plaatsen bij vrienden en soms in hotels verbleven.
Toen appellant in april 2018 de gelegenheid kreeg om met familieleden naar Curaçao te reizen voor een drag race, heeft hij Venezuela via de luchthaven van Valencia verlaten. Via Aruba en Curaçao is hij naar Bonaire gegaan. Daar heeft hij asiel aangevraagd.
De Colectivos hebben begin mei 2018 opnieuw een inval in zijn woning gedaan. Daags na die tweede inval zijn agenten van de Cuerpo de Investigaciones Científicas, Penales y Criminalístas (de CICPC) bij zijn café/restaurant geweest en hebben een oproep voor hem afgegeven. Hoogstwaarschijnlijk is de politie erachter gekomen dat hij is verdwenen en probeert men te achterhalen waar hij is, aldus appellant. Ten slotte hebben zwaar bewapende personen op 15 oktober 2018 een zoekactie naar appellant uitgevoerd in en rondom zijn woning.
Appellant heeft niet gesteld dat hij na het voorval op de luchthaven van Isla Margarita op 11 februari 2018 tot aan zijn vertrek naar Curaçao in april 2018 is gezocht door Colectivos. Dat appellant na dit voorval is ondergedoken en is gestopt met het (laten) uitbaten van de door hem gehuurde horecagelegenheid, laat immers onverlet dat bij een aanhoudende negatieve aandacht van de Venezolaanse autoriteiten voor appellant, aannemelijk is dat hiervan zou zijn gebleken door een (zoek)actie van de zijde van die autoriteiten. Appellant heeft voorts via de luchthaven van Valencia kunnen uitreizen naar Curaçao, waarbij hij volgens zijn eigen verklaring bijzonder secuur is gecontroleerd. Zo is zijn bagage en kleding (hij moest zich volledig ontkleden) onderzocht en zijn zijn papieren gecontroleerd. De stelling van appellant dat de persoonsregisters in Venezuela niet worden bijgehouden en dit met name geldt met betrekking tot het verwerken van passagiersgegevens voor commerciële vluchten, doet aan de, op de persoon van appellant gerichte, secure controle bij zijn uitreis niet af. Nu appellant na die secure controle op het vliegveld van Valencia op eigen naam heeft kunnen uitreizen, acht het Hof het met de staatssecretaris en het Gerecht niet aannemelijk dat appellant in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat.
Ten slotte acht het Hof het, in aanmerking genomen dat appellant na de inval in zijn woning op 27 juni 2017 geen politiek te duiden activiteiten meer heeft verricht en hij nadien, terwijl hij voor de Venezolaanse autoriteiten traceerbaar was en hij zich tot tweemaal toe op een luchthaven aan een voor die autoriteiten kenbare persoonscontrole heeft onderworpen en daarbij geen problemen heeft ondervonden die zijn te herleiden tot het deelnemen aan de demonstraties in de periode van 20 tot 27 juni 2017, niet aannemelijk dat de gestelde zoekacties door de Colectivos en de CICP na zijn vertrek uit Venezuela verband houden met de aan hem toegedichte politieke overtuiging. Daarbij acht het Hof niet aannemelijk dat een zoekactie naar de verblijfplaats van appellant door (aan de Venezolaanse autoriteiten gelieerde) Colectivos en de CICP uit politieke motieven pas plaatsvindt nadat appellant gecontroleerd en op eigen naam het land heeft verlaten. De verklaring van appellant dat de CICP een oproep voor hem heeft achtergelaten bij het eerder door hem gehuurde café/restaurant staat bovendien op gespannen voet met zijn verklaring dat hij in de periode 27 juni 2017 tot 11 februari 2018 was ondergedoken en hij die horecagelegenheid heeft kunnen (laten) uitbaten zonder dat hij vindbaar was voor de Venezolaanse autoriteiten, omdat hij daarbij op de achtergrond is gebleven.
Beslissing
bevestigt de aangevallen uitspraak.
voorzitter