ECLI:NL:OGHACMB:2014:52

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
15 december 2014
Zaaknummer
AR 54572 - H 28/14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:51 BWArt. 3:52 BWArt. 7:850 BW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis inzake nietigheid borgstelling wegens verjaring toestemming echtgenote

In deze zaak staat de borgstelling centraal die appellant heeft verstrekt voor een lening van Girobank aan Fundashon. Appellant betwist dat zijn echtgenote toestemming heeft gegeven voor de borgtocht en dat haar handtekening op de akte authentiek is. Het Hof stelt vast dat de echtgenote reeds in 2006 bekend was met de borgstelling, waardoor de driejarige verjaringstermijn is gaan lopen.

De echtgenote heeft in 2013 een brief gestuurd waarin zij stelt geen toestemming te hebben gegeven, maar het Hof oordeelt dat de vernietigingsgrond op dat moment al was verjaard. Tevens kan appellant zelf geen beroep doen op de vernietigingsgrond omdat deze alleen aan de echtgenote toekomt. Het arrest van de Hoge Raad uit 2012 wordt hierbij als leidraad genomen.

Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bevestigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hiermee blijft de borgstelling geldig en is appellant aansprakelijk voor zijn aandeel in de schuld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van eerste aanleg bevestigd; appellant blijft aansprakelijk en wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

Registratienummers: AR 54572 - H 28/14
Uitspraak: 9 september 2014
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis
in de zaak van:
[appellant],
wonende in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde sub 2,
thans appellant,
gemachtigde: mr. E. Fa Si Oen,
- tegen -
1. de stichting
FUNDASHON SER’I PLASA,
gevestigd in Curaçao,
2. [x],
wonende in Curaçao,
beiden oorspronkelijk eisers,
thans geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. R.A. Diaz en S.A. Hortencia.
Partijen worden hierna (afzonderlijk) “[appellant]”, “Fundashon” en “[x]” genoemd. Fundashon en [x] worden hierna gezamenlijk “Fundashon c.s.” genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Op 2 september 2013 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, (hierna: het GEA) in een vrijwaringszaak tussen Fundashon c.s. enerzijds en [appellant] en twee andere gedaagden anderzijds een vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dit vonnis.
1.2 [
appellant] is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 9 oktober 2013 een akte van hoger beroep in te dienen. [appellant] heeft bij afzonderlijke memorie van grieven, met producties, ingediend op 20 november 2013, twee grieven geformuleerd en toegelicht en, samengevat, geconcludeerd dat het Hof 1) voor recht zal verklaren dat de rechtshandeling van [appellant] tot het verstrekken van een persoonlijke borgstelling aan de Girobank alhier nietig is en dat [appellant] dientengevolge niets verschuldigd is aan Fundashon c.s. en/of de Girobank en 2) het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van Fundashon c.s. alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Fundashon c.s. in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Fundashon c.s. hebben bij memorie van antwoord het hoger beroep bestreden en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
1.4
Op de nader voor pleidooi bepaalde datum heeft alleen de gemachtigde van [appellant] pleitaantekeningen overgelegd. Fundashon c.s. hebben afgezien van pleidooi.
1.5
Vonnis is bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
In het hoger beroep kan van de volgende feiten uitgegaan worden. Girobank heeft in het verleden een lening verstrekt aan Fundashon. [appellant] heeft zich samen met [x] en drie anderen (waaronder de twee medegedaagden in eerste aanleg) borg gesteld voor de lening van Girobank aan Fundashon. De akte van borgstelling waarbij [appellant] zich borg heeft gesteld is op 4 september 2006 door [appellant] en Girobank ondertekend. Daarnaast is er op deze akte een handtekening voor akkoord geplaatst na de bewoordingen “
handtekening echtgeno(o)t(e)”. Nadat Girobank een procedure (de hoofdzaak) had aangespannen tegen Fundashon c.s., hebben Fundashon c.s. [appellant] (en de twee medegedaagden in eerste aanleg) in vrijwaring opgeroepen en het GEA verzocht om [appellant] (en de twee medegedaagden in vrijwaring) te veroordelen tot voldoening aan [x] van hun aandeel in de schuld, zijnde 20% per persoon, in het geval [x] zou worden veroordeeld om enig bedrag aan Girobank te betalen. Op 1 oktober 2012 zijn Fundashon c.s. in de hoofdzaak hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Girobank van NAf 115.438,49 vermeerderd met rente en kosten, zulks uit hoofde van de lening. Het GEA heeft kort gezegd [appellant] (en de twee medegedaagden in eerste aanleg) in vrijwaring veroordeeld om aan [x] te betalen, al datgene, althans ieder 20% daarvan, waartoe Fundashon c.s. in de hoofdzaak zijn veroordeeld. [appellant] was in eerste aanleg niet verschenen.
2.3 [
appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen de overweging van het GEA inhoudende dat de borgen op grond van de artikelen 7:850 jo. 6:6 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn. [appellant] stelt zich echter op het standpunt dat zijn echtgenote heeft geweigerd om toestemming te verlenen voor het aangaan van de borgtocht, waardoor [appellant] zich nimmer als borg heeft gesteld of heeft kunnen stellen. Daarbij betwist hij dat de handtekening die voorkomt op de borgtochtovereenkomst van zijn echtgenote afkomstig is.
2.4
De echtgenote van [appellant] heeft zich bij brief gedagtekend 12 november 2013 (productie 7 memorie van grieven) jegens Girobank op het standpunt gesteld dat zij de borgstelling niet voor akkoord heeft ondertekend en voorts heeft zij zich in die brief beroepen op de vernietigbaarheid van de borgakte ex artikel 1:89 lid 1 jo Pro. 1:88 BW wegens het ontbreken van haar toestemming.
2.5
Fundashon c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant] zelf geen beroep kan doen op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro, aangezien op grond van dit artikel alleen de echtgenote een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:88 BW Pro toe kan komen. Voorts hebben Fundashon c.s. gesteld dat de echtgenote de akte van borgtocht mede heeft ondertekend en de bevoegdheid van de echtgenote van [appellant] om een beroep te doen op deze vernietigingsgrond is verjaard gelet op artikel 3:52 lid 1 BW Pro. Fundashon c.s. stellen voorts nog dat [appellant] op grond van artikel 1:88 lid 1 onder Pro c jo. Artikel 1:88 lid 5 BW Pro geen toestemming van zijn echtgenote nodig had.
2.6
Het Hof is van oordeel dat het voor de beoordeling in hoger beroep niet uitmaakt of de echtgenote van [appellant] de akte van borgtocht wel of niet heeft ondertekend. Ter toelichting dient het volgende.
2.7 [
appellant] heeft de stelling van Fundashon c.s., dat de echtgenote van [appellant] voor 4 september 2006 bekend was met de akte van borgtocht, niet weersproken. Uit de door [appellant] in het geding gebrachte brief van 12 november 2013 van de echtgenote van [appellant] (productie 7 bij memorie van grieven) volgt ook dat zij er toen van op de hoogte was dat [appellant] zich borg had gesteld. Zij stelt in die brief immers onder meer dat zij toen geweigerd heeft om de wettelijk vereiste toestemming te geven en de borgstelling mede te ondertekenen. De driejarige verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 BW Pro is derhalve in 2006 gaan lopen en was op 12 november 2013 reeds voltooid. Voor zover vast zou komen te staan dat de echtgenote van [appellant] de akte van borgtocht niet voor akkoord heeft ondertekend, geldt op grond van het voorgaande dat zij op 12 november 2013 niet meer de nietigheid kon inroepen van de borgtocht. De stelling van [appellant] dat er geen sprake kan zijn van verjaring omdat zijn echtgenote de borgtocht niet heeft ondertekend en er geen borgstelling heeft bestaan, vindt geen steun in het recht.
2.8 [
appellant] kan in casu bij wijze van verweer (waarbij een eventuele verjaring niet speelt) zelf geen beroep doen op de vernietigbaarheid van de door hem aangegane borgtocht. Het Hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU6506) in één van de zogenaamde Dexia-zaken, in het bijzonder rechtsoverwegingen 4.1.1 en 4.1.2:

4.1.1 Onderdeel 2 van het middel in het principale beroep richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8. Het stelt de vraag aan de orde of [eiser 1] zich op grond van art. 3:51 lid 3 BW Pro tegen de vordering van Dexia uit hoofde van de met hem aangegane leaseovereenkomsten in rechte kan verweren met een beroep op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW Pro ook ingeval die aan [eiseres 2] toekomende vordering tot vernietiging is verjaard, althans ingeval [eiseres 2] zich op deze vernietigingsgrond beroept als gevoegde partij.
4.1.2
Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
De bevoegdheid tot vernietiging als bedoeld in art. 1:89 lid 1 komt Pro uitsluitend toe aan [eiseres 2]. Het in art. 3:51 lid 3 bedoelde Pro beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan alleen door laatstgenoemde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende, (mede) tegen haar gerichte, vordering.
De onderhavige vordering van Dexia steunt op de leaseovereenkomsten waarbij enkel [eiser 1] partij is. [Eiseres 2] is bij die overeenkomsten geen partij en kan zich uit dien hoofde niet op grond van art. 3:51 lid 3 tegen Pro de vordering van Dexia verweren met een beroep op vernietiging van die overeenkomsten.
[Eiser 1] kan geen beroep doen op de in art. 1:89 lid 1 in Pro verbinding met art. 1:88 BW Pro vermelde vernietigingsgrond; hem komt om die reden ter afwering van de vordering geen beroep toe op een op die grond gebaseerde vernietiging van de overeenkomsten. Is de vordering tot vernietiging van [eiseres 2] verjaard, dan is ook vernietiging op grond van het ontbreken van de door art. 1:88 vereiste Pro toestemming door een buitengerechtelijke verklaring niet meer mogelijk (art. 3:52 lid 2 BW Pro).
(..)”
2.9
De conclusie uit het arrest van de Hoge Raad vertaald naar de onderhavige procedure is dat 1) [appellant] zich in deze procedure niet op artikel 1:89 lid 1 BW Pro kan beroepen en 2) [appellant] ook geen beroep kan doen op de buitengerechtelijke vernietiging omdat de rechtsvordering van de echtgenote ten tijd van het uitbrengen van die verklaring reeds was verjaard.
2.1
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep doel mist. Het bestreden vonnis zal worden bevestigd nu het Hof daartegen ook ambtshalve geen bezwaren heeft. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep te dragen.
BESLISSING
Het Hof,
- bevestigt het vonnis waarvan beroep;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Fundashon c.s. gevallen en tot op heden begroot op NAf 268,91 aan verschotten en NAf 3.400,00 aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, H.J. van Kooten en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 september 2014.