ECLI:NL:OGEAM:2026:98

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
SXM202401257
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:301 lid 1 BWArt. 3:172 BWArt. 6:213 BWArt. 6:248 lid 1 BWArt. 18c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toedeling woning aan vrouw met voorwaarden en verrekening overbedeling na beëindiging samenleving

Partijen hadden vanaf 2019 een relatie en kochten samen in 2022 een villa met appartement. De relatie eindigde in september 2023. De vrouw vordert dat het perceel aan haar wordt toegewezen, onder de voorwaarde dat zij een bedrag aan de man betaalt wegens overbedeling.

De man stemt in met toedeling aan de vrouw, maar betwist de hoogte van de verrekening en vordert in reconventie verkoop van het perceel indien zijn berekening niet wordt gevolgd. Het gerecht stelt de waarde van het perceel vast op USD 855.000, rekening houdend met een hypotheekschuld van USD 676.182, waardoor een overwaarde van USD 178.818 resteert.

Er is geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst, maar het gerecht oordeelt dat er stilzwijgende afspraken waren over de verdeling van kosten en investeringen. De vrouw heeft meer betaald voor investeringen, onderhoud en hypotheekrente dan de man, die een lening van USD 58.000 heeft ingebracht. Na verrekening is de man aan de vrouw USD 43.969 verschuldigd.

Het vonnis bepaalt dat de vrouw het perceel krijgt toegewezen, mits zij de man ontslaat uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheken binnen vier maanden. Indien dit niet lukt, zal het perceel worden verkocht. Proceskosten worden gecompenseerd en ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: Het perceel wordt toegewezen aan de vrouw onder voorwaarde van ontslag van de man uit hoofdelijke aansprakelijkheid en betaling van een overbedelingsbedrag.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202401257
Vonnisdatum: 23 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem,
tegen
[gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.R.C. de Haan.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het inleidend verzoekschrift, op 20 september 2024 ter griffie ingediend;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 4 maart 2025;
  • de conclusie van repliek van 27 mei 2025;
  • de conclusie van dupliek, tevens conclusie van repliek en eiswijziging in voorwaardelijke reconventie van 19 augustus 2025;
  • de conclusie van dupliek in reconventie van 14 oktober 2025;
  • de akte uitlating productie van 10 februari 2026 van [gedaagde];
  • de akte met producties 17 en 18 van [eiseres] van 10 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, [gedaagde] mede aan de hand van door mr. De Haan overgelegde pleitaantekeningen.
Aan het slot van de mondelinge behandeling is bepaald dat gedaagde nadere bankgegevens in het geding diende te brengen en dat partijen een nieuw taxatierapport van de woning zouden laten opstellen door ICE.
1.3.
Voorafgaande aan de vervolgzitting van 29 april 2026 heeft [gedaagde] de verzochte bankgegevens digitaal in het geding gebracht. Bovendien heeft hij een nieuw ICE taxatierapport in het geding gebracht. Hierop is door [eiseres] gereageerd door het inbrengen van diverse stukken (producties 21A tot en met 26).
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen opnieuw hun standpunten toegelicht, [eiseres] mede aan de hand van door mr. Bloem overgelegde pleitaantekeningen.
Tijdens de mondelinge behandeling is geprobeerd de zaak te beëindigen door middel van een minnelijke regeling. Dat is niet gelukt. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een bedrag aangeboden, maar dat heeft [gedaagde] niet geaccepteerd. Partijen hebben vonnis gevraagd, maar mr. De Haan heeft namens haar client verzocht om twee weken de tijd te krijgen om het laatste aanbod van [eiseres] met [gedaagde] te kunnen bespreken.
1.4.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Vervolgens heeft mr. Bloem volgens afspraak op 4 mei 2026 nog stukken toegezonden aan het Gerecht en de wederpartij. Dit betrof stukken met drie scenario’s, waarin [eiseres] heeft uitgerekend wat [gedaagde] aan haar verschuldigd is, uitgaande van de waarde van het perceel van USD 855.000, USD 920.000 en USD 1.000.000. [gedaagde] heeft aan het Gerecht niets meer laten weten.

2.De feiten

2.1.
Partijen hadden vanaf 2019 een relatie en zij hebben samengewoond.
Op 21 april 2022 hebben zij een villa met appartement en ondergrond gekocht in [plaats] (het Perceel).
Op 1 september 2023 is de relatie tussen partijen geëindigd.

3.Het geschil

3.1. [
eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Voor recht te verklaren dat het Perceel in eigendom aan [eiseres] toebehoort of wordt toebedeeld, waardoor zij als enig eigenaresse daarvan heeft te gelden, onder de voorwaarde dat [eiseres] binnen 4 weken na vonniswijzing in deze zaak het bedrag van USD 61.762,16 of het exacte overbedelingsbedrag te berekenen tegen het moment waarop de scheiding en deling van de gemeenschap wordt bevolen, aan [gedaagde] betaalt wegens overbedeling, welke betaling dient te worden vastgesteld door middel van een deurwaardersrapport van de deurwaarder mevrouw [naam];
Overeenkomstig artikel 3:301 lid 1 BW Pro te bevelen dat het vonnis in deze zaak in de plaats komt van een akte die strekt tot levering van een registergoed die bij het Kadaster geregistreerd kan worden, waardoor [eiseres] ook formeel de eigendomstitel van het Perceel verkrijgt. Dit nadat haar betaling van USD 61.762,16 of het exacte overbedelingsbedrag te berekenen tegen het moment waarop de scheiding en deling van de gemeenschap wordt bevolen aan [gedaagde] in een vaststellingsrapport van de deurwaarder [naam] wordt opgenomen en dit vaststellingsrapport aan [gedaagde] is betekend;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten van dit geding
3.2. [
gedaagde] heeft verweer gevoerd en een eigen berekening gemaakt van de uitkomst van de verdeling tussen partijen.
Vordering in reconventie3.3. Indien het Gerecht de berekening van [gedaagde] (in conventie) niet volgt, dan vordert [gedaagde] in reconventie dat het Perceel wordt verkocht. Daarna dient het exacte overbedelingsbedrag op het moment waarop de scheiding en deling van de gemeenschap wordt bevolen, te worden berekend door een door partijen gezamenlijk, of door het Gerecht te benoemen onafhankelijke deskundige, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap, het Perceel, zal moeten worden verdeeld. [gedaagde] heeft er ook geen bezwaar tegen dat het Perceel in eigendom aan [eiseres] wordt toebedeeld, waardoor zij als enig eigenaresse daarvan heeft te gelden. Zij zijn het echter niet eens over de door hen gedane investeringen en kosten en hoe deze tussen hen beiden moeten worden verdeeld. Het Gerecht zal hierna per betwist onderdeel zijn oordeel geven.
4.2.
De vordering is door [eiseres] in 2024 ingesteld. De beslissing over de verdeling van hun beperkte gemeenschap (het Perceel) wordt echter in dit vonnis genomen en zal per datum vonnis gelden. Dat betekent dat het Gerecht zal uitgaan van de meest recente gegevens, die [eiseres] per eind maart 2026 en 29 april 2026 in het geding heeft gebracht en die de grondslag vormden van wat ter zitting is behandeld.
De huidige waarde van het Perceel
4.3.
De waarde op dit moment is van belang, omdat het erom gaat wat de waarde van het Perceel is op het moment van feitelijke verdeling en dat zal bij dit vonnis gebeuren. Daarom heeft het Gerecht van partijen verlangd dat er een nieuw taxatierapport moest worden opgemaakt. Dat is ook gebeurd. [gedaagde] heeft vervolgens dat taxatierapport in het geding gebracht. Ter zitting is gebleken dat dit niet het originele rapport was, maar een aangepaste versie ervan. [gedaagde] heeft erkend dat de taxateur op zijn verzoek de waarde van het Perceel heeft aangepast. In het eerste rapport is de marktwaarde vastgesteld op USD 855.000. In het aangepaste rapport is dat USD 1.000.000 geworden.
Het verschil zit erin dat in het eerste rapport is uitgegaan van de huur die door de huidige huurders van de woning wordt betaald: USD 4.500 en USD 1.500 voor respectievelijk de villa en het appartement.
In het aangepaste rapport wordt uitgegaan van een
mogelijkehuur van USD 5.000 respectievelijk USD 1.880.
Nog daargelaten dat [gedaagde] hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 18c Rv, zal het Gerecht uitgaan van de huidige huur; de woning wordt immers nu verdeeld. Voor de verdeling tussen partijen stelt het Gerecht de waarde van de woning daarom vast op USD 855.000.
Hypotheekschuld en overwaarde
4.4.
Uit de overgelegde stukken leidt het Gerecht af dat de hypotheekschuld eind april 2026 in totaal USD 676.182 bedraagt (1e hypotheek USD 620.282 en 2e hypotheek USD 55.900).
De overwaarde van het Perceel bedraagt USD 855.000 -/- USD 676.182 = USD 178.818.
Toepasselijk recht
4.5.
Partijen zijn niet gehuwd, maar hebben samengeleefd. Voor die situatie heeft de Hoge Raad in 2019 de kaders geschetst:
Daarbij ligt het in de rede te onderzoeken of tussen informeel samenlevenden een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de in art. 6:248 lid 1 BW Pro bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (art. 6:213 BW Pro). Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn doordat de informeel samenlevenden met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, of uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. [1]
Partijen hebben geen afspraken op papier gezet. De vraag is daarom onder meer of er stilzwijgende afspraken tussen partijen golden.
De bankrekening van [gedaagde]
4.6.
Vanaf deze bankrekening is een bedrag van USD 158.000 betaald of gereserveerd ten behoeve van de hypotheek bij de koop van het Perceel. De vraag is of dit bedrag in de verrekening tussen partijen moet worden betrokken.
Als het Gerecht het goed begrijpt, zit in dit bedrag een lening van een vriend van [gedaagde] opgenomen van USD 58.000. Door dit bedrag te lenen en te gebruiken voor de woning, heeft hij met privévermogen bijgedragen aan de aankoop van de woning. Bij toedeling van het Perceel aan [eiseres] zal zij dit bedrag dus aan [gedaagde] moeten vergoeden.
4.7.
Over de overige USD 100.000 verschillen partijen van mening. [eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat er tussen partijen een stilzwijgende afspraak was dat [gedaagde] niet hoefde bij te dragen aan de dagelijkse kosten van partijen en dat hij zodoende in de gelegenheid was om vanaf het begin van de samenleving te ‘sparen’ op deze bankrekening om zo te kunnen bijdragen aan de latere aankoop van het perceel.
De door [gedaagde] op verzoek van het Gerecht in het geding gebrachte bankafschriften bevestigen deze stilzwijgende afspraak. Gedurende de samenleving is het saldo van deze rekening gestaag gegroeid. En de stelling dat [gedaagde] de periode van samenleving begon met een groot spaartegoed wordt erdoor weerlegd.
Daarnaast geldt nog dat de e-mail van 17 mei 2024 van [eiseres] aan [gedaagde] hierover, met bijbehorende “mutual agreement” niet door hem is betwist.
Dagelijkse kosten van levensonderhoud
4.8. [
[eiseres] heeft minutieus onderbouwd dat zij in de periode van vier jaar samenleven in totaal een bedrag van USD 173.472,55 heeft betaald voor dagelijkse kosten, zeer uiteenlopend van aard. De stilzwijgende afspraak hield naar het oordeel van het Gerecht niet in dat [gedaagde] hieraan meer zou moeten bijdragen dan hij zelf in staat was te reserveren op zijn bankrekening. Kennelijk waren de inkomsten van [eiseres] in de samenlevingsperiode hoger dan die van [gedaagde]. Niet ongebruikelijk is in zo een situatie dat aan de dagelijkse kosten wordt bijgedragen naar gelang het inkomen van de samenlevers. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen daarom mee dat [eiseres] een bedrag van USD 100.000 mag ‘verrekenen’ met [gedaagde].
Overige vorderingen van partijen over en weer
4.9.
Het Gerecht gaat voorbij aan de stellingen van zowel [gedaagde] als [eiseres] dat zij gedurende de periode van samenleving voor het Perceel en voor elkaar nog andere werkzaamheden hebben verricht, die mogelijk vorderingen opleveren. Zoals hiervoor onder 4.8 overwogen, hoort dit bij de normale wijze van samenleving en is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om hier achteraf vorderingen uit af te leiden.
De gemaakte kosten voor het Perceel
4.10.1.
Op grond van artikel 3:172 BW Pro moeten partijen in beginsel in gelijke mate bijdragen tot uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschappelijke woning zijn verricht. Daarbij moet het gaan om handelingen verricht ten behoeve van onderhoud en instandhouding van die woning.
4.10.2. [
[eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat zij vanaf 2022 tot en met de maand april 2026 aan investeringen en andere kosten voor het Perceel in totaal een bedrag van USD 342.507,68 heeft betaald.
4.10.3.
Daarnaast heeft zij voldoende onderbouwd dat een bedrag van USD 79.822,63 door haar is besteed aan “maintenance”.
4.10.4.
Aan rente in verband met de eerste en tweede hypotheek heeft [eiseres] tot en met april 2026 in totaal een bedrag van USD 249.098,37 betaald.
4.10.5.
De totale kosten bedragen zodoende USD 671.427.
Inkomsten uit huur van de villa en het appartement op het Perceel
4.10.6.
De door [eiseres] geïncasseerde huuropbrengsten vanaf juli 2022 tot en met april 2026 bedroegen USD 208.900 en USD 59.772 voor respectievelijk de villa en het appartement. In totaal dus USD 268.672.
Per saldo door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd
4.10.7.
Rekening houdend met de ontvangsten, heeft [eiseres] per saldo USD 402.755 uitgegeven. Hieraan dient [gedaagde] USD 201.378 bij te dragen.
Gespecificeerde bedragen niet gemotiveerd betwist
4.11.
Het Gerecht verwerpt het verweer van [gedaagde] dat hij geen enkel inzicht had in de bestedingen door [eiseres]. Behalve het feit dat deze concreet zichtbaar waren (verbouwingen, reparaties, onderhoud) heeft [eiseres] afdoende onderbouwd dat [gedaagde] digitaal toegang had tot de bankrekening.
De betalingen voor de respectieve creditcards
4.12.
Uit de overgelegde stukken en verklaringen volgt dat er vanaf de bankrekening van [gedaagde] betalingen zijn gedaan voor de ‘aflossing’ van creditcards. Daarbij is onder meer de creditcard van [eiseres] afgelost door betaling van een bedrag van USD 10.000. Dat bedrag dient daarom door [eiseres] aan [gedaagde] te worden terugbetaald.
De slotsom
4.13. [
[eiseres] wenst het Perceel toebedeeld te krijgen. Zij moet daarom de helft van de overwaarde (zie 4.4.) aan [gedaagde] vergoeden, dat is USD 89.409.
Daarnaast moet zij vergoeden USD 58.000 (zie 4.6) en USD 10.000 (zie 4.12).
[eiseres] is totaal aan [gedaagde] verschuldigd USD 157.409.
4.14. [
[gedaagde] is aan [eiseres] verschuldigd USD 201.378 (zie 4.10.7.).
4.15.
Per saldo is [gedaagde] aan [eiseres] USD 43.969 verschuldigd. Dat bedrag zal worden toegewezen.
De gevorderde indeplaatsstelling
4.16.
De vordering dat dit vonnis in de plaats zal treden van een akte die strekt tot levering van een registergoed zal worden afgewezen. Uit oogpunt van zorgvuldigheid zal de levering via de notaris dienen te geschieden. Op het moment van het wijzen van dit vonnis moeten immers nog rechtshandelingen plaatsvinden, waaronder met name het zorgdragen voor ontslag van [gedaagde] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening (zie hierna in reconventie).
Wel zal het mindere worden toegewezen, namelijk dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van [gedaagde], indien hij zijn medewerking aan levering zou weigeren.
De vordering in voorwaardelijke reconventie
4.17. [
[eiseres] heeft gesteld dat zij in staat is het Perceel over te nemen en te zorgen dat [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening wordt ontslagen. Mocht dat blijken niet te lukken, dan zal het Perceel moeten worden verkocht. In zoverre zal de vordering in reconventie voorwaardelijk worden toegewezen.
4.18.
Op grond van wat hiervoor is overwogen en geoordeeld, is verder geen deskundigenonderzoek noodzakelijk. Dat deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.
Proceskosten
4.19.
Gelet op de gewezen relatie tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Zoals gebruikelijk in dit soort zaken dient iedere partij de eigen kosten te dragen.
4.20.
De hierna te nemen beslissing wijkt af van wat [eiseres] heeft gevorderd. Ondanks haar eigen berekeningen heeft [eiseres] haar vordering niet gewijzigd. Het Gerecht acht zich echter als verdelingsrechter vrij om de hierna te nemen beslissing te nemen. De hiervoor onder 4.3 – 4.12 besproken onderdelen maakten immers alle deel uit van het geschil, zowel in de stukken als op de twee comparities van partijen.

5.De beslissing

Het Gerecht:
in conventie
5.1.
deelt het Perceel SXM [nummer] in eigendom aan [eiseres] toe, onder de voorwaarde dat [eiseres] uiterlijk 23 oktober 2026 zorgdraagt voor ontslag van [gedaagde] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugbetaling van de twee hypothecaire geldleningen;
5.2.
beveelt [gedaagde] mee te werken aan de levering van het Perceel, binnen vier weken nadat [eiseres] aan de onder 5.1 vermelde voorwaarde heeft voldaan;
5.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van [gedaagde] voor alle voor de levering benodigde rechtshandelingen, indien hij niet aan het onder 5.2 gegeven bevel voldoet;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om het overbedelingsbedrag van USD 43.969 aan [eiseres] te betalen;
in reconventie (voorwaardelijk)
5.5.
bepaalt dat indien [eiseres] niet binnen vier maanden na dit vonnis in staat zal zijn aan de onder 5.1. vermelde voorwaarde te voldoen, het Perceel verkocht zal worden, waarbij de netto-opbrengst bij de onderlinge financiële verdeling tussen partijen zal moeten worden betrokken;
in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de proceskosten, ieder draagt de eigen kosten;
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door
mr. A.S. Veldhuizen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, rov. 3.5.3.