ECLI:NL:OGEAM:2019:90

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
29 juli 2019
Publicatiedatum
30 augustus 2019
Zaaknummer
SXM201801562- Lar 164/2018
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Landsverordening openbaarheid van bestuurArt. 7 Landsverordening administratieve rechtspraakLandsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard wegens te breed verzoek openbaarheid van bestuur inzake erfpachtrechten Sint Maarten

Eiser heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 3 van Pro de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob) om informatie over de uitgifte van erfpachtrechten op diverse percelen land en water in Sint Maarten, met name aan publieke personen. Verweerder heeft dit verzoek deels ingewilligd en deels afgewezen, stellende dat het verzoek te breed was geformuleerd.

Eiser stelde dat het verzoek specifiek genoeg was en dat verweerder onvoldoende openheid en motivering bood. Het Gerecht oordeelde dat de definitie van publieke personen en de omschrijving van de percelen te algemeen en subjectief waren, waardoor verweerder terecht het verzoek als te breed kon beschouwen. Tevens is aangegeven dat informatie over erfpachtrechten openbaar is via het Kadaster en dat aanvullende informatie via openbare registers zoals de Kamer van Koophandel kan worden verkregen.

Het Gerecht vond dat verweerder voldoende gemotiveerd had gehandeld en dat het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel niet waren geschonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het verzoek te breed en onvoldoende specifiek was geformuleerd.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
(eiser),
wonende te Sint Maarten,
eiser,
gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en C.R. Rutte,
tegen
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en C.M.P. van Hees.
1.
Aanduiding bestreden beschikking
De beschikking van verweerder van 9 november 2018, aan eiser uitgereikt op 19 november 2018, gegeven op het door eiser op 18 juli 2018 bij verweerder ingediende verzoek ex artikel 3 van Pro de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob).
2.
Het verloop van de procedure
2.1. Met een op 13 december 2018 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).
2.2. Op 18 februari 2019 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend.
2.3. Op 3 juni 2019 hebben gemachtigden van partijen aanvullende producties in het geding gebracht.
2.4. Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 juni 2019. Eiser is bij mr. Rutte verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde mr. van Hees. Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
2.5. Uitspraak is bepaald op heden.

3.Feiten

3.1.
Bij brief van 18 juli 2018 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend ex artikel 3 van Pro de Lob (hierna: Lob-verzoek). In dit verzoek geeft eiser aan dat hij heeft gehoord dat het Land Sint Maarten diverse percelen land en water, toebehorend aan het Land en gelegen (i) in Simpson Bay, grenzend aan de oost- en westzijde van de openbare weg die leidt naar de luchthaven, en (ii) andere locaties die algemeen bekend staan als waardevol, waaronder Great Bay en Philipsburg (door eiser verder de “Percelen” genoemd), in erfpacht heeft uitgegeven aan ambtenaren, politici, eilandsraadsleden, parlementsleden, ministers, notarissen en andere personen met publiek gezag of familieleden daarvan of andere relaties (door eiser verder “Publieke Personen” genoemd). Eiser vraagt in zijn Lob-verzoek om verstrekking van alle informatie neergelegd in documenten over de uitgifte van erfpachtrechten, waaronder begrepen (a) alle documenten die in het bezit zijn van het Land met betrekking tot het beleid van het Land aangaande (i) de uitgifte van erfpachtrechten in het algemeen, (ii) de uitgifte van erfpachtrechten op de Percelen aan een of meer van de Publieke Personen, (iii) toegestaan gebruik van en andere verplichtingen en (iv) het handhaven daarvan en (b) de naam van de Publieke Personen aan wie Percelen in erfpacht zijn gegeven, de beschrijving van de Percelen, de redenen voor uitgifte, in hoeverre andere personen, niet zijnde Publieke Personen, voorheen om uitgifte hebben verzocht en alle onderliggende documenten.
3.2.
Verweerder heeft aanvankelijk niet op dit verzoek gereageerd.
3.3. Op 15 augustus 2018 heeft eiser beroep ingesteld tegen de fictieve weigering.
3.4.
Bij uitspraak van 3 december 2018 heeft het Gerecht bepaald dat eiser niet kan worden ontvangen in zijn beroep omdat verweerder inmiddels tegemoet is gekomen aan het verzoek. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld.
3.5.
Bij beschikking van 9 november 2018, door eiser ontvangen op 19 november 2018, heeft verweerder het verzoek deels afgewezen en voor een deel informatie verstrekt. In die beschikking overweegt verweerder allereerst dat het verzoek te breed is geformuleerd om aan te kunnen voldoen. Verder geeft verweerder aan dat de uitgifte van erfpachtrechten wordt gedaan conform de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten (hierna: de Erfpachtverordening) en dat er verder geen beleid is. Wel is er een informatiebrochure en die wordt door verweerder als informatie aan de beschikking gehecht. Voorts overweegt verweerder dat alle uitgegeven erfpachtrechten te raadplegen zijn bij het Kadaster als openbare informatie. Tot slot geeft verweerder aan dat de door eiser gehanteerde definitie van Publieke Personen te breed is om effectief te kunnen zoeken.
3.6.
Tegen deze beschikking richt zich het onderhavige beroep.

4.Het geschil

4.1.
Eiser heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking waarvan beroep te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van de in deze beschikking te geven uitspraak, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding.
4.2.
Eiser legt daaraan het volgende ten grondslag.
Volgens eiser is de beschikking in strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder heeft geen openheid noch openbaarheid betracht bij de behandeling van het verzoek. Het verzoek is ook niet te ruim geformuleerd. Eiser heeft namelijk specifieke definities gegeven van de Percelen en de Publieke Personen en ook welke informatie daaromtrent wordt verzocht. Eiser acht het niet aannemelijk dat verweerder niet zou weten en niet schriftelijk zou hebben vastgelegd aan wie van haar (voormalig) ministers, statenleden, eilandsraadsleden, gezaghebbers en leden van het voormalige bestuurscollege zij de Percelen in erfpacht heeft uitgegeven. Verder wordt onvoldoende aangegeven op welke gronden (grotendeels) niet aan het verzoek wordt tegemoet gekomen. Dat is in strijd met het motiveringsbeginsel. Tot slot blijkt nergens van een belangenafweging, hetgeen strijd oplevert met het zorgvuldigheidsbeginsel.
4.3.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt voor het overige hierna zo nodig nader ingegaan.
5.
De beoordeling
5.1.
Artikel 3 van Pro de Lob bepaalt in het eerste lid dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot het bestuursorgaan of tot de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame departementen, diensten, bureaus of instellingen. Het vierde lid bepaalt dat een verzoek wordt ingewilligd met inachtneming van de artikelen 11, 12 en 13.
5.2.
Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerder het gelijk aan zijn zijde. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.3.
Allereerst is de door eiser gebruikte definitie van Publieke Personen veel te algemeen en is zijn definitie van waardevolle Percelen te subjectief en te onbegrensd, zodat verweerder zich naar het oordeel van het Gerecht op het standpunt heeft mogen stellen dat het verzoek te breed en daarmee onvoldoende specifiek was geformuleerd om het verzoek te kunnen beoordelen. Verweerder is ook - onverplicht - voldoende behulpzaam geweest bij het alsnog kunnen voldoen aan het verzoek door in de beschikking aan te geven dat eiser zijn verzoek aan de hand van het Kadaster kan specificeren, waarna verweerder eiser kan voorzien van de gevraagde documenten, voor zover aanwezig. Deze handreiking is door eiser onterecht afgedaan als strijdig met de wet.
5.4.
Daarnaast is niet in geschil dat alle uitgegeven erfpachtrechten te raadplegen zijn bij het Kadaster. Dat is een openbaar register, waarop de Lob niet van toepassing is. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat die informatie niet leidt tot de namen van Publieke Personen, omdat die zouden zijn weggemoffeld in offshore bedrijven en via gelijksoortige constructies. Daarvoor biedt het (eveneens) openbare register van de Kamer van Koophandel evenwel uitkomst. Eiser had via dat register zelf de naam van de natuurlijke persoon achter de rechtspersoon kunnen achterhalen en daardoor zijn verzoek kunnen specificeren. Verweerder mocht zich terecht op het standpunt stellen dat dergelijke informatie, die beschikbaar is via openbare registers, op basis van de Lob niet hoeft te worden verstrekt.
5.5.
Ter zitting is verder duidelijk geworden dat eiser met de term schriftelijke vastlegging in zijn stelling dat hij het niet aannemelijk acht dat verweerder niet schriftelijk zou hebben vastgelegd aan wie van haar (voormalig) ministers, statenleden, eilandsraadsleden, gezaghebbers en leden van het voormalige bestuurscollege zij de Percelen in erfpacht heeft uitgegeven, bedoelde: schriftelijke vastlegging in voorbereidingsdocumenten en uitgiftebesluiten. Een dergelijk standpunt, als zou een en ander niet op die wijze schriftelijk zijn vastgelegd, is in het bestreden besluit ook niet door verweerder ingenomen. Aan deze beroepsgrond wordt dan ook verder voorbij gegaan.
5.6.
Eiser heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen het onderdeel in de bestreden beschikking waarin staat dat de uitgifte van erfpachtrechten wordt gedaan conform de Erfpachtverordening en dat er verder geen beleid is, zodat dit verder buiten beschouwing zal worden gelaten.
5.7.
Tenslotte heeft eiser gesteld dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Naar het oordeel van het Gerecht is daarvan geen sprake.
De bestreden beschikking is deugdelijk gemotiveerd. Zo is daarin aangegeven dat het verzoek te breed is geformuleerd om aan te kunnen voldoen, dat bepaalde informatie openbaar is, dat de Erfpachtverordening wordt gehanteerd en dat er geen ander beleid is. Zonder nadere onderbouwing valt dan ook niet in te zien, op welke wijze de motivering onvoldoende is. Hetzelfde geldt voor het zorgvuldigheidsbeginsel. De enkele opmerking van eiser dat geen rekening is gehouden met zijn belangen is daartoe zonder meer onvoldoende. Te minder, nu uit de bestreden beschikking blijkt dat verweerder eiser een handreiking biedt om via het Kadaster zijn verzoek te specificeren.
5.8.
Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat de bestreden beslissing berust op een correcte grondslag.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6.
De beslissing
Het Gerecht:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 29 juli 2019.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.