Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.Het geschil
3.De vorderingen en de verweren
“ontkende feitelijk beheer vanaf 2016 tot en met heden”. Een en ander met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten.
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De zaak betreft een geschil over het gebruik van een woonhuis te Sint Maarten dat deel uitmaakt van de echtscheidingsboedel tussen [de man] en [de vrouw], die gezamenlijk eigenaar zijn van het pand. Sinds 2016 woont de dochter van [de vrouw] in een gedeelte van het huis met toestemming van haar moeder, maar zonder toestemming van [de man].
[De man] vordert in kort geding ontruiming van het door de dochter gebruikte gedeelte en verantwoording over het gebruik, terwijl [de vrouw] als tussenkomende partij verzoekt om gebruiksrecht zolang de onroerende zaak niet is gescheiden en gedeeld. [De dochter] verzet zich tegen de vordering.
Het gerecht oordeelt dat de dochter met instemming van haar moeder het gedeelte van het huis bewoont en dat er onvoldoende bewijs is voor onrechtmatige bewoning of schade. Ook de strafrechtelijke aangifte en klachten zijn onvoldoende om ontruiming te rechtvaardigen. Het verzoek tot tussenkomst van de moeder wordt afgewezen wegens gebrek aan zelfstandig belang.
Het gerecht benadrukt dat partijen zelf tot een regeling moeten komen over gebruik, huurwaarde en verdeling van huuropbrengsten. De vorderingen worden afgewezen en [de man] wordt veroordeeld in de proceskosten, evenals [de vrouw] in het incident.
Uitkomst: De vorderingen tot ontruiming en tussenkomst worden afgewezen en partijen worden veroordeeld in de proceskosten.