ECLI:NL:OGEAM:2017:45

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
25 augustus 2017
Publicatiedatum
29 augustus 2017
Zaaknummer
KG 2017/81
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering en verzoek tot wedertewerkstelling na demotie en salarisverlaging

De werknemer is sinds 2002 in dienst van de werkgever en werd per december 2016 in een lagere functie geplaatst met een aanzienlijke salarisverlaging vanwege herhaalde niet-opvolging van redelijke instructies en ongewenst gedrag. De werknemer vordert betaling van achterstallig loon, doorbetaling van toekomstig loon en wedertewerkstelling in zijn oude functie.

Het Gerecht in Eerste Aanleg oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is, maar dat de zaak te complex is voor een kort geding. De werknemer verdient voor de demotie circa USD 45.000 bruto per maand, nu nog USD 25.000. De werkgever is tevreden over de verkoopprestaties maar ontevreden over het alcoholgebruik en gedrag van de werknemer, wat leidde tot disciplinaire maatregelen die het beoogde effect hadden.

Het Gerecht kan niet inschatten hoe de bodemrechter zal oordelen over de rechtmatigheid van de demotie en salarisverlaging en constateert dat de werknemer niet in financiële problemen is gekomen door de lagere beloning. Verwezen wordt naar artikel 228 lid 2 Rv Pro om de zaak door te verwijzen naar de bodemrechter, maar de werknemer stemde hier niet mee in.

De vorderingen worden daarom afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten. De werkgever wordt vrijgesteld van verschotten behalve een salaris gemachtigde van NA f 1.000,00.

Uitkomst: Vorderingen werknemer worden afgewezen wegens complexiteit en onzekerheid over bodemrechterlijke beoordeling.

Uitspraak

Vonnis van 25 augustus 2017
Zaaknummer: KG 2017/81
Vonnisnr.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Vonnis in kort geding
inzake
[de werknemer],
wonende te Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. V.L. van der Vliet,
tegen
de naamloze vennootschap [de werkgever],
gevestigd te Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. Deelstra.
Partijen worden hierna aan als “de werknemer”, respectievelijk “de werkgever”.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
verzoekschrift met producties d.d. 26 juni 2017,
verweerschrift met producties,
brief van mr. Deelstra met extra productie,
pleitnota namens de werknemer,
pleitnota namens de werkgever.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2017 in aanwezigheid van partijen. De werkgever werd vertegenwoordigd door mevrouw ………., assistent General Manager en mevrouw ………, hoofd personeelszaken. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Sinds 2002 is de werknemer in loondienst werkzaam voor de werkgever.
2.2.
Per december 2016 heeft de werkgever de werknemer in een lagere functie gezet. Tevens is zijn salaris aanzienlijk verlaagd. Een en ander is geschied omdat de werknemer, volgens de werkgever, meerdere malen redelijke instructies niet heeft opgevolgd. Daarvoor heeft de werkgever aan de werknemer schriftelijke waarschuwingen gegeven.
2.3.
Ondanks schriftelijke sommaties heeft de werkgever de werknemer niet in zijn oude functie willen terugplaatsen en evenmin is het vertrouwde salaris aan hem betaald.

3.De vorderingen en het verweer

3.1.
De vorderingen van de werknemer strekken ertoe dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de werkgever veroordeelt tot betaling van achterstallig loon (circa USD 55.000,00), de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover, doorbetaling toekomstig loon en wedertewerkstelling in zijn vertrouwde functie, zulks met nevenvorderingen waaronder een proceskostenveroordeling.
3.2.
De werkgever concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de werknemer in zijn vorderingen, althans dat het Gerecht deze zal afwijzen, met veroordeling van de werkgever in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang is met de aard van de vorderingen (loonvordering vanwege eenzijdige salarisvermindering en ongedaanmaking onterechte demotie) gegeven.
4.2.
Desalniettemin ziet het Gerecht zich genoodzaakt de vorderingen van de werknemer af te wijzen. Dit heeft te maken met het volgende. Criterium voor toewijzing van de vorderingen in kort geding is of het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen van de werknemer zal toewijzen. De werknemer houdt zich bezig met de verkoop van time share rechten in het resort van de werkgever. Hij verdient daarmee ongeveer USD 45.000,00 bruto per maand. Dit salaris bestaat uit verschillende loonbestanddelen en wordt grotendeels berekend aan de hand van zijn verkoopomzet. Als gevolg van de demotie en de salarisverlaging verdient hij nu nog slechts USD 25.000,00 bruto per maand. De werkgever is zeer tevreden over zijn verkoopomzet maar is ontevreden over het extreme alcoholgebruik van de werknemer en zijn veel te vrijpostige gedrag jegens vrouwelijke (deels minderjarige) hotelgasten. Vandaar dat na meerdere schriftelijke waarschuwingen tot de demotie en de salarisverlagingen is besloten. Daarna zag de werkgever dat de werknemer geen alcohol meer dronk en zich fatsoenlijk wist te gedragen jegens de vrouwelijke hotelgasten zodat de werkgever concludeert dat deze disciplinaire maatregelen het beoogde effect hebben gehad. De werkgever heeft zich dan ook bereid verklaard in december 2017 met de werknemer te gaan praten om te bezien of hij weer zijn vertrouwde salaris kan gaan ontvangen, overigens niet met terugwerkende kracht.
4.3.
Partijen discussiëren over de vraag of het juridisch geoorloofd is om de werknemer in een lagere functie te zetten, maar vooral of de grote teruggang van salaris kan worden gebaseerd op enige rechtsregel, zulks tegen de achtergrond dat de werkgever ergens in december 2017 op dit besluit wil terugkomen voor de toekomst. Het Gerecht kan niet inschatten hoe de bodemrechter hierover zou oordelen, mede gelet op de uitvoerige argumentatie van partijen over en weer. Tevens is gesteld noch gebleken dat de werknemer in betalingsproblemen is komen te verkeren omdat hij in plaats van USD 45.000 per maand USD 25.000 per maand is gaan verdienen. Om deze redenen zal het Gerecht de vorderingen van de werknemer afwijzen.
4.4.
Ter zitting heeft het Gerecht aan partijen gevraagd of zij uitvoering willen geven aan artikel 228 lid 2 Rv Pro. Daarin is vermeld dat als de zaak te ingewikkeld is voor een kort geding deze op eenstemmig verzoek kan worden verwezen naar de (in dit geval) EJ-rol en het Gerecht kan “doorpakken” door een bodemvonnis te wijzen in plaats van een kort geding vonnis. De werkgever was hiertoe bereid maar de werknemer niet.
4.5.
Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient de werknemer in de proceskosten te worden veroordeeld.

5.De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:
rechtdoende in kort geding:
wijst de vorderingen af,
veroordeelt de werknemer in de proceskosten, aan de zijde van de werkgever begroot op nihil aan verschotten en op NA f 1.000,00 aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.