Eiser raakte tijdens een vlucht met Avianca op 30 november 2014 betrokken bij een ongeval waarbij hij letsel aan zijn knie opliep. Hij stelde Avianca aansprakelijk voor materiële en immateriële schade en vorderde vergoeding.
Avianca beriep zich op het vervalbeding uit het Verdrag van Warschau, dat bepaalt dat een rechtsvordering binnen twee jaar na aankomst op de bestemming moet worden ingesteld. Eiser stelde dat dit beroep onaanvaardbaar was op grond van redelijkheid en billijkheid, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en een vermeende schending van de zorgplicht door Avianca.
De rechtbank oordeelde dat het Verdrag van Warschau uniforme regels bevat en geen ruimte laat voor toepassing van nationale regels zoals de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Het beroep op het vervalbeding is daarom gegrond, ook voor immateriële schade die verband houdt met lichamelijk letsel.
Eiser had zijn vordering pas in februari 2021 ingesteld, ruim na de vervaltermijn van 30 november 2016. Ook was hij zelf verantwoordelijk voor vertraging in de afhandeling van zijn claim. Er was geen sprake van onrechtmatig handelen door Avianca. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.