Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 een belastbaar inkomen van nihil aangegeven, terwijl de Inspecteur het premie-inkomen vaststelde op NAf 18.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen, waarna de Inspecteur de aanslagen handhaafde. Belanghebbende stelde beroep in bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Het geschil betrof de vraag of het premie-inkomen juist was vastgesteld. Het Gerecht oordeelde dat de Inspecteur de bewijslast draagt voor de vaststelling van het premie-inkomen. De Inspecteur baseerde zijn vaststelling op intern beleid en informatie van het CBS, stellende dat NAf 18.000 het minimum bestaansminimum is voor een huishouden van een ouder en een kind.
Het Gerecht vond dat de enkele stelling van de Inspecteur onvoldoende was om de bewijslast te dragen. Belanghebbende voerde aan dat het bijstandsbedrag lager is dan het gestelde minimum en dat zij haar levensonderhoud met alimentatie en een ontslagvergoeding kon voorzien. Het Gerecht verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar en verminderde de aanslagen tot nihil.
Daarnaast veroordeelde het Gerecht de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 30 december 2020 door rechter D.J. Jansen.
Uitkomst: De aanslagen premie-inkomen 2017 worden vernietigd en verminderd tot nihil wegens onvoldoende bewijs van de Inspecteur.