ECLI:NL:OGEAC:2019:149

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
27 mei 2019
Publicatiedatum
31 juli 2019
Zaaknummer
Cur201800021
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Eilandsverordening Eigendomsverkrijging Volkswoningen Curaçao
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurder kan bestuursrechtelijke weg volgen voor koop FKP-woning, civiele vordering afgewezen

Eiseres huurt sinds 2015 een woning van Fundashon Kas Popular (FKP) te Curaçao, die oorspronkelijk sinds 1973 door haar overleden echtgenoot werd gehuurd. In 1985 en opnieuw in 2015 heeft eiseres verzocht de woning te mogen kopen. Zij stelt dat FKP onrechtmatig heeft gehandeld door haar verzoeken niet tijdig te honoreren, waardoor zij schade heeft geleden door betaalde huur.

Eiseres vordert via de civiele rechter nakoming van een koopovereenkomst, levering van de woning tegen een koopsom en schadevergoeding. Gedaagden betwisten het bestaan van een koopovereenkomst en voeren aan dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd moet worden.

Het Gerecht oordeelt dat de vordering van eiseres niet kan slagen omdat zij de bestuursrechtelijke weg moet volgen om aanspraak te maken op koop van de woning. Er is geen bewijs van een afdwingbare koopovereenkomst. Ook de schadevergoedingsvordering faalt omdat niet is gebleken dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld of dat er een concreet verzoek aan het bestuur is gedaan.

De vorderingen worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten, met gratis proceskostenverlof vanwege haar financiële situatie.

Uitkomst: Vordering tot koop en schadevergoeding afgewezen; eiseres dient bestuursrechtelijke weg te volgen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS
in de zaak van:
[EISERES],
te Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
tegen

1.FUNDASHON KAS POPULAR (FKP),

te Curaçao,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
2. HET LAND CURACAO,
te Curaçao,
gemachtigde: mr. H.M. van Rossum.

1.Het procesverloop

Eiseres heeft op 4 januari 2018 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens is tot en met dupliek geconcludeerd. Ter zitting van 23 april 2019 hebben de gemachtigden van partijen de zaak bepleit. Namens eiseres zijn daarbij pleitnotities overgelegd. Vonnis is bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1
Eiseres huurt een aan FKP in eigendom toebehorende woning aan de Kaya Nepomuceno te Curaçao. Aanvankelijk - sinds 1973 - was de echtgenoot van eiseres de huurder, maar na diens overlijden is de huurovereenkomst in 2015 op naam van eiseres gesteld. De huur bedraagt NAf 75 per maand.
2.2
In 1985 heeft de echtgenoot van eiseres een verzoek gedaan aan FKP om de woning te kopen. Bij brief van 19 september 1985 heeft FKP geantwoord dat het Bestuurscollege daarover benaderd zou worden. In 2015 heeft de gemachtigde van eiseres namen eiseres aan FKP verzocht de woning aan haar te verkopen.
2.3
Eiseres stelt zich op het standpunt dat FKP onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het verzoek van eiseres en haar echtgenoot om de woning te kopen niet voortvarend in te willigen. Eiseres stelt daardoor schade te hebben geleden in de vorm van de over 27 jaar, althans 4 jaar, betaalde huur, zijnde NAf 24.300, althans NAf 3.600.
2.4
Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, veroordeling van gedaagden tot nakoming van de koopovereenkomst en tot levering van de woning tegen een koopsom van NAf 4.564,80, althans NAf 1.046, althans een door het Gerecht vast te stellen koopsom, met veroordeling van gedaagden tot betaling van NAf 24.300, althans NAf 3.600, almede met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
2.5
Gedaagden hebben verweer gevoerd.

3.De beoordeling

3.1
Eiseres doet ter onderbouwing van haar vordering tot verkoop en levering van de door haar gehuurde woning een beroep op de Eilandsverordening eigendomsverkrijging volkswoningen Curaçao, AB 1962 no. 13, zoals gewijzigd, en op het feit dat die woning in 1990 is aangewezen als volkswoning (AB 1990, no.26). Deze vordering kan niet slagen. Daargelaten dat gedaagden hebben bestreden dat door eiseres een daartoe strekkend verzoek is ingediend, afgezien van het (volgens gedaagden premature) verzoek uit 1985 en de sommatie uit 2015, geldt dat, voor zover al sprake is van een weigering van dat verzoek, eiseres de bestuursrechtelijke weg dient te volgen. Of eiseres in aanmerking komt voor koop en tegen welke condities, is aan het bestuur (thans: de Minister), waarbij voor eiseres de rechtsgang naar de bestuursrechter openstaat. Van een koopovereenkomst of van een verplichting tot verkoop die voor de burgerlijke rechter kan worden afgedwongen, is niet gebleken.
3.2
Hetgeen door eiseres is aangevoerd ter onderbouwing van haar schadevergoedingsvordering rechtvaardigt niet de conclusie dat gedaagden lang hebben gedraald, laat staan dat zij daardoor onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld. Hierbij komt in het bijzonder ook betekenis toe aan het feit dat niet is gebleken van een concreet, op bedoelde verordening gestoeld verzoek aan het bestuur.
3.3
Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van eiseres moeten worden afgewezen.
3.4
Eiseres zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, met dien verstande dat het aan gedaagden gezamenlijk toe te wijzen bedrag aan gemachtigdensalaris zal worden berekend op basis van tarief 5, drie punten en voor het overige zal worden gecompenseerd. Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan eiseres gratis admissie worden verleend.

4.Beslissing

Het Gerecht:
4.1
verleent eiseres verlof kosteloos te procederen;
4.2
wijst af het gevorderde;
4.3
veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 3.750 voor salaris gemachtigde, en compenseert de proceskosten voor het overige aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2019.