Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN
4.BEOORDELING VAN HET BEROEP
Verhuisboedelvrijstelling
5.PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende verzocht om vrijstelling van invoerrechten voor verhuisgoederen bij terugkeer naar Curaçao na verblijf in Nederland. De Inspecteur wees het verzoek af omdat de goederen niet voldeden aan de eis dat deze ten minste zes maanden vóór vertrek in bezit moesten zijn geweest. Na bezwaar werd vrijstelling verleend voor goederen die binnen zes weken na aankomst in Nederland waren aangeschaft, maar niet voor goederen die daarna waren aangeschaft.
Het geschil betrof de vraag of ook voor goederen aangeschaft na deze termijn vrijstelling kon worden verleend. Belanghebbende stelde dat dit mogelijk moest zijn, de Inspecteur ontkende dit. Het Gerecht oordeelde dat de wettelijke termijn van zes maanden strikt geldt en dat de Inspecteur slechts in bijzondere gevallen op basis van begunstigend beleid hiervan kan afwijken.
Hoewel de Inspecteur een discretionaire bevoegdheid heeft om in bijzondere gevallen af te wijken, was het geweigerde beleid niet onredelijk. De voortijdige beëindiging van de terbeschikkingstelling aan het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister werd als bijzonder geval gezien, maar de Inspecteur mocht weigeren omdat belanghebbende met latere aankopen het risico liep de vrijstelling te verliezen.
Een verzoek om schadevergoeding voor opslagkosten werd afgewezen omdat de belastingwetgeving in Curaçao geen vergoeding voorziet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering van de verhuisboedelvrijstelling wordt ongegrond verklaard.