Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen aanslagen inkomstenbelasting en premieheffingen over 2012. De Inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk en verminderde ambtshalve de aanslagen. Belanghebbende kwam vervolgens in beroep bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Het Gerecht oordeelde dat de beroepstermijn voor de inkomstenbelasting was overschreden, maar dat de verzending van de uitspraken op bezwaar later plaatsvond dan de dagtekening, waardoor de beroepstermijn dienovereenkomstig later begon te lopen. Hierdoor was het beroep tijdig ingediend. Voor de premieheffingen oordeelde het Gerecht dat de Inspecteur te vroeg uitspraken op bezwaar had gedaan, omdat de inkomstenbelastingaanslag nog niet onherroepelijk was, waardoor het beroep tegen de premieheffingen gegrond werd verklaard.
Het bezwaar tegen de inkomstenbelastingaanslag was buiten de wettelijke termijn ingediend en werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vanwege het gegrond verklaren van het beroep tegen de premieheffingen.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. de Werd op 23 april 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof binnen twee maanden na toezending van het vonnis.