Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
NAf 1.450,- per maand met zijn baan in housekeeping;
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Verzoeker had een langdurige samenwoning van twaalf jaar met wijlen, die in 2014 overleed. Na diens overlijden maakte verzoeker aanspraak op het vruchtgebruik van twee woningen die eigendom waren van wijlen. Verweerders, de erfgenamen, betwistten onder meer de samenwoning en de tijdigheid van het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van negen maanden voor het indienen van het verzoek verlengd kon worden op grond van artikel 4:40a BW, waardoor het verzoek niet als te laat werd afgewezen. De samenwoning werd als voldoende onderbouwd erkend, ook al voerden verweerders aan dat verzoeker getrouwd was met een ander, wat niet als belemmering werd gezien.
De rechter stelde vast dat toekenning van verzorgingsvruchtgebruik aan samenwoners een discretionaire bevoegdheid is en dat in dit geval sprake was van een 'sprekend geval' vanwege de investeringen van verzoeker, het ontbreken van ander onderkomen en de wens van wijlen dat verzoeker in de woning kon blijven. Daarom werd het vruchtgebruik op woning [woning A] en de inboedel toegekend voor vijf jaar na overlijden. Het verzoek tot vruchtgebruik van woning [woning B] werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van behoefte.
De proceskosten werden gecompenseerd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gesteld.
Uitkomst: Verzoeker krijgt het recht op verzorgingsvruchtgebruik van woning en inboedel toegekend voor vijf jaar na overlijden.