Belanghebbende, een N.V. gevestigd in Curaçao, kreeg een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd voor het niet tijdig betalen van de winstbelasting over 2013. Zij had geprobeerd deze schuld te verrekenen met een openstaande vordering op de fiscus over 2012. De Inspecteur handhaafde de boete en belanghebbende ging in beroep.
Het Gerecht stelde vast dat volgens de Algemene landsverordening Landsbelastingen de belastingplichtige verplicht is de belasting uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar te betalen. Hoewel belanghebbende tijdig aangifte had gedaan, was de betaling niet tijdig voldaan. De wettelijke regeling geeft alleen de ontvanger de bevoegdheid tot verrekening, niet de belastingplichtige zelf.
Daarnaast was de vordering over 2012 nog niet geformaliseerd in een aanslag en dus niet rechtens vorderbaar, waardoor verrekening niet mogelijk was. Het Gerecht oordeelde dat belanghebbende daardoor in verzuim was en de verzuimboete terecht was opgelegd, maar matigde deze vanwege de omstandigheden tot Naf. 1.200. Het verzoek om compensatie voor gemiste rente werd afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.
Het Gerecht veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. de Werd op 23 februari 2018.