ECLI:NL:OGEAC:2017:37

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
10 maart 2017
Publicatiedatum
10 april 2017
Zaaknummer
E 78650 van 2016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:395a BWArt. 1:392 BWArt. 1:402 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie voor jongmeerderjarige studente

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 10 maart 2017 uitspraak gedaan over de alimentatieplicht van de man ten behoeve van hun jongmeerderjarige kind, dat sinds de zomer van 2016 in Nederland studeert. De vrouw verzocht om een maandelijkse bijdrage van €150 aan kinderalimentatie. De man voerde aan dat hij niet verplicht zou zijn tot betaling omdat het kind nog niet studeerde vóór haar 21e levensjaar, verwijzend naar artikel 1:395a lid 3 BW.

Het gerecht oordeelde dat het kind doorlopend studeert sinds het schooljaar 2015/2016 en daarmee voldoet aan de voorwaarden van artikel 1:395a lid 3 BW, waardoor de onderhoudsplicht van de ouders voortduurt tot uiterlijk het 25e levensjaar van het kind. Het verweer van de man dat het kind geen behoefte zou hebben aan alimentatie werd verworpen, omdat de onderhoudsplicht ook geldt als het kind niet behoeftig is, conform artikel 1:392 lid 2 BW Pro.

De vrouw bracht een overzicht in van de inkomsten en uitgaven van het kind, waaruit een tekort van circa €300 per maand bleek. De man en vrouw verdienen beiden ongeveer NAf 2.700 tot NAf 2.772 per maand, en het gerecht acht een gelijke verdeling van de kosten passend. De man werd geacht voldoende draagkracht te hebben, mede gelet op onvoldoende weersproken bijverdiensten.

Het gerecht bepaalde de alimentatie op €150 per maand, ingaande 1 december 2016, en wees het verzoek tot een eenmalige betaling van €825,50 af wegens gebrek aan wettelijke grondslag. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 december 2016 maandelijks €150 kinderalimentatie betalen aan het jongmeerderjarige studerende kind.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Beschikking in de zaak van:
[VERZOEKSTER],
wonende in Curaçao,
verzoekster,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. M.D. Bennett,
- tegen -
[VERWEERDER],
wonende in Curaçao,
verweerder,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: mr. I.F. Moeniralam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 27 september 2016 is (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In diezelfde beschikking is de zaak verwezen naar de raadkamerzitting van 25 oktober 2016 voor het nemen van aktes. De vrouw heeft op 22 november 2016 en de man op 6 december 2016 een akte genomen. De vrouw heeft op 7 februari 2017 nog een productie in het geding gebracht.
1.2.
Bij de behandeling van de zaak op 10 februari 2017 zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd. Ter zitting hebben de gemachtigden pleitnotities overgelegd en voorgedragen. De man en vrouw hebben hun standpunt weergegeven.
1.3.
De beschikking is bepaald op heden.

2.De nadere beoordeling

2.1.
De vrouw heeft namens het jongmeerderjarige kind, [jongmeerderjarige] geboren op [geboortedatum] 1994 (verder: het kind), onder meer verzocht dat de man wordt veroordeeld tot het betalen van € 150,- per maand aan alimentatie. Het kind woont en studeert sinds de zomer van 2016 in Nederland.
2.2.
De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft in de eerste plaats betoogd dat hij niet gehouden is tot het betalen van alimentatie omdat het kind nog niet studeerde voordat zij eenentwintig jaar werd. De man heeft in dat verband gewezen op artikel 1: 395a lid 3 BW.
2.3.
In genoemd artikellid staat - in de kern - dat indien aannemelijk is dat een studie die het kind volgt niet voor het bereiken van de leeftijd van eenentwintig jaren kan zijn voltooid, de ouders verplicht zijn alimentatie te betalen totdat de studie redelijkerwijs kan zijn voltooid, maar uiterlijk totdat het kind vijfentwintig jaren heeft bereikt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het kind in het schooljaar 2015/2016 was ingeschreven bij de Eligia Martier SBO te Curaçao en dat zij in het daarop volgende schooljaar 2016/2017 is gaan studeren aan de Hogeschool Utrecht. Dit betekent dat het kind doorlopend bezig is geweest met een studie en deze tot op heden niet heeft voltooid. Daarmee voldoet haar situatie aan de omschrijving van artikel 1: 395a lid 3 BW. De man heeft dus een onderhoudsplicht jegens het kind.
2.4.
De man voert voorts tevergeefs als verweer aan dat het kind geen behoefte heeft aan alimentatie. Ingevolge artikel 1: 392 lid 2 BW geldt de onderhoudsverplichting in casu ook als het kind niet behoeftig zou zijn. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 3.3.3. van het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2234), waarin staat:
(…) Op grond van art. 1: 392 lid 2 BW in verbinding met art. 1: 395a BW speelt de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van de ouders. (…)
2.5.
De vrouw heeft een overzicht in het geding gebracht van de inkomsten van het kind en haar uitgaven. Deze uitgaven komen redelijk en niet bovenmatig voor. Het kind komt (ongeveer) € 300,- per maand te kort. De ouders zullen derhalve naar rato van hun inkomsten dienen bij te dragen aan de kosten van het levensonderhoud van het kind. De man voert dat hij NAf 2.772,- verdient. De vrouw voert aan dat zij NAf 2.700,- per maand verdient. Een verdeling bij helfte van genoemde bedrag is dus in overeenstemming met de wettelijke maatstaf.
2.6.
Dat de man niet over draagkracht zou beschikken blijkt in onvoldoende mate uit het door hem als productie 3 bij de akte van 6 december 2016 overgelegde overzicht van uitgaven. In die lijst staan immers meerdere uitgaven opgesomd waarin het Gerecht financiële ruimte aanwezig acht. Daarnaast geldt dat de man volgens de vrouw bijverdient als consultant en als bandleider. Dit is door de man in onvoldoende mate weersproken, zodat het Gerecht aanneemt dat de inkomsten van de man in werkelijkheid hoger zijn dan NAf 2.772,- per maand. De man is naar het oordeel van het Gerecht derhalve in staat om kinderalimentatie te betalen.
2.7.
De slotsom is dat de man gehouden is € 150,- per maand aan alimentatie te betalen ten behoeve van / aan het kind. Het verzoekschrift noemt geen ingangsdatum. Het gewijzigde verzoek tot alimentatie is op de zitting van 22 november 2016 ingediend, zodat de man er in ieder geval vanaf toen in redelijkheid rekening mee heeft kunnen houden. Als ingangsdatum heeft daarom te gelden 1 december 2016.
2.8.
Het overige door de vrouw verzochte, betaling van een eenmalig bedrag van
€ 825,50, moet worden afgewezen nu daarvoor ingevolge artikel 1: 402 lid 2 BW een wettelijke grondslag ontbreekt. Alimentatie betreft immers een onderhoudsverplichting die periodiek wordt opgelegd en de wet voorziet niet in een eenmalige bepaling (zie ook Hof ’s-Gravenhage 21 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6310).
2.9.
Gelet op de aard van het geschil en de hoedanigheid van partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

BESLISSING

Het Gerecht:
bepaaltde door de man te betalen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van de jongmeerderjarige op € 150,00 per maand, ingaande op 1 december 2016, voor zover mogelijk telkens bij vooruitbetaling, rechtstreeks aan de vrouw of aan de jongmeerderjarige te voldoen;
compenseertde proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaartdeze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst afhet meer of anders verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2017.