ECLI:NL:OGEAC:2017:2
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verzuimboete bij niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting Curaçao
Belanghebbende kreeg een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over het jaar 2010 met een verzuimboete van Naf. 250 wegens het niet tijdig doen van aangifte. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag, maar niet expliciet tegen de boete. Het Gerecht oordeelt dat bezwaar tegen de aanslag ook geldt als bezwaar tegen de boete, tenzij ondubbelzinnig afstand is gedaan van dat recht.
Belanghebbende voerde aan dat hij geen schuld had omdat hij dacht belastingplichtig te zijn in Nederland en zijn adviseur onwetend was over de belastingplicht in Curaçao. Het Gerecht stelt dat het uitreiken van een aangiftebiljet een verplichting tot aangifte oplegt, ook als men meent geen belastbare inkomsten te hebben. Het niet indienen van een aangifte onder vermelding van redenen kan niet worden vervangen door het niet doen van aangifte.
De opgelegde boete is in overeenstemming met het boetebeleid van de Minister en passend gelet op het eerste verzuim. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het Gerecht bevestigt dat de inkomsten toerekenbaar zijn aan Curaçao en niet aan Nederland, waarmee het geschil over de heffingsbevoegdheid is beslecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en de verzuimboete wordt ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.