Belanghebbende, een onderneming gevestigd te Sint Maarten met onroerend goed in Curaçao, was belastingplichtig in Curaçao vanaf 2002. Over de jaren 2008 tot en met 2012 werden naheffingsaanslagen en verzuimboetes opgelegd wegens het niet of niet tijdig indienen van aangiften. Belanghebbende kwam in bezwaar tegen deze aanslagen en boetes, maar de Inspecteur handhaafde deze. Vervolgens werden beroepen ingesteld, die echter te laat werden ingediend.
Het Gerecht oordeelde dat de te late indiening niet verschoonbaar was, ondanks de arbeidsongeschiktheid van de indiener, omdat belanghebbende geen maatregelen had getroffen om de post te beheren tijdens diens ziekte. Hierdoor werden de beroepen over 2008 tot en met 2011 niet ontvankelijk verklaard. Voor het jaar 2012 werd de aanslag verminderd tot nihil, waardoor het beroep daarop niet ontvankelijk was.
Ten aanzien van de verzuimboete 2012 stelde belanghebbende dat zij nooit een aangiftebiljet had ontvangen, waardoor geen aangifteplicht bestond. De Inspecteur kon dit niet aannemelijk maken, zodat het Gerecht de boete vernietigde. Hiermee werd het beroep tegen de boete 2012 gegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 29 november 2016, waarbij tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen twee maanden na verzending van de uitspraak.