Eiser, een autolasser die een bedrijfsongeval had met blijvend oogletsel, verzocht de minister om omzetting van ongevallengeld in een eenmalige uitkering. Na het uitblijven van een beslissing stelde eiser te laat beroep in tegen dit uitblijven. De minister besloot alsnog inhoudelijk en wees het verzoek af omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 5, achtste lid en onder a, van de Wo BES.
Het Gerecht paste een nieuwe procedurele lijn toe waarbij een beroep tegen het uitblijven van een beslissing mede gericht is tegen een latere reële beschikking. Het beroep tegen het uitblijven was niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en het beroep tegen de eerste beschikking was niet-ontvankelijk wegens intrekking.
De bestreden beschikking werd inhoudelijk getoetst. De minister had vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid langer dan 52 weken had geduurd, maar dat er wel verbetering was opgetreden, waardoor niet voldaan werd aan de voorwaarde dat geen verdere vermindering van arbeidsongeschiktheid te verwachten was. Eiser stelde dat het ging om blijvende invaliditeit, maar het Gerecht oordeelde dat de wet alleen ziet op arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk.
Het Gerecht concludeerde dat de minister de wet juist had toegepast en dat het beroep ongegrond was. De afwijzende beschikking bleef in stand en eiser kreeg geen proceskosten toegekend.