ECLI:NL:OGEABES:2026:1

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
EUX202400050 tot en met EUX202400052
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag en vergrijpboete Algemene Bestedingsbelasting door bouwbedrijf gevestigd in Frankrijk

In deze zaak heeft een bouwbedrijf, gevestigd in Frankrijk en gespecialiseerd in klifstabilisatie, een beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag en vergrijpboete opgelegd door de Inspecteur der Belastingen van Sint Eustatius. De naheffingsaanslag betreft de Algemene Bestedingsbelasting (ABB) over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021, met een te betalen bedrag van USD 394.143 en een vergrijpboete van USD 98.536. Het geschil draait om de vraag of het bouwbedrijf als BES ondernemer kan worden aangemerkt, wat afhankelijk is van de aanwezigheid van een vaste inrichting op Sint Eustatius gedurende de looptijd van de opdracht. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een vaste inrichting. De werkzaamheden aan de klif van Fort Oranje hebben langer dan 12 maanden geduurd, maar het Gerecht oordeelt dat de Inspecteur niet heeft aangetoond dat het bouwbedrijf over een vaste bedrijfsinrichting beschikte. De naheffingsaanslag en de vergrijpboete zijn daarom vernietigd. De uitspraak is gedaan op 8 januari 2026.

Uitspraak

Uitspraak van 8 januari 2026
BBZ nrs. EUX202400050 tot en met EUX202400052
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT EUSTATIUS
UITSPRAAK
Op het beroep in de zin van
hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:
[Belanghebbende], gevestigd te Crest (Frankrijk),
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, gevestigd in Sint Eustatius,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 13 oktober 2023 een naheffingsaanslag Algemene Bestedingsbelastingbelasting (hierna: ABB) over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 opgelegd naar een te betalen bedrag van USD 394.143. Gelijktijdig is een vergrijpboete opgelegd van USD 98.536 (25%).
1.2
Belanghebbende heeft daartegen op 8 november 2023 bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak van 7 juni 2024 het bezwaar afgewezen.
1.4
Belanghebbende heeft op 5 augustus 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van USD 30.
1.5
De Inspecteur heeft op 3 september 2024 een verweerschrift ingediend.
1.6
Belanghebbende heeft op 23 mei 2025 een nader stuk ingediend.
1.7
De Inspecteur heeft op 27 mei 2025 een pleitnota en aanvullende stukken ingediend.
1.8
Het Gerecht heeft op 28 mei 2025 nadere stukken opgevraagd bij partijen, te weten:
  • de tussen het Openbaar Lichaam Sint-Eustatius en belanghebbende gesloten overeenkomst van 29 januari 2019 voor het nemen van maatregelen ter bestrijding van erosie op de klif van Fort Oranje, alsmede de aan dit contract toegevoegde appendix, welke is opgemaakt nadat aan belanghebbende uitstel van oplevering is verleend in verband met het uitbreken van COVID; en
  • het Handboek ‘Algemene bestedingsbelasting 2016’ (in digitale vorm).
1.9
De Inspecteur heeft vervolgens op 28 mei 2025 nadere stukken ingediend, waaronder de door het Gerecht opgevraagde stukken (zie 1.8).
1.1
Belanghebbende heeft op 28 mei 2025 een reactie en nader stuk ingediend.
1.11
De Inspecteur heeft op 28 mei 2025 een aanvulling op de pleitnota ingediend.
1.12
De Inspecteur heeft op 5 juni 2025 een nader stuk ingediend.
1.13
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2025 te Philipsburg. Belanghebbende is vertegenwoordigd door haar bestuurder, [A]. Namens belanghebbende is daarnaast verschenen haar gemachtigde mr. [B], verbonden aan [X] Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [C] en drs. [D] Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
1.14
De behandeling is aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Belanghebbende heeft op 15 juni 2025 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft op 25 juni 2025 op de nadere stukken gereageerd.
1.15
Het Gerecht heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende is een bouwbedrijf gevestigd in Frankrijk gespecialiseerd in klifstabilisatie. Zij heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met [Y] gevestigd in het Franse deel van Sint-Maarten.
2.2
Belanghebbende en [Y] hebben op 29 januari 2019 een overeenkomst gesloten met het Openbaar Lichaam Sint-Eustatius voor het nemen van maatregelen ter bestrijding van erosie op de klif van Fort Oranje.
2.3
Belanghebbende heeft bij brief van 15 maart 2020 in verband met de effecten van COVID-19 een verlenging van de voltooiingsdatum aangevraagd. Het project is uiteindelijk op 22 mei 2020 voltooid en heeft in totaal 13,5 maanden geduurd.
2.3
Door de Belastingdienst is een derdenonderzoek ingesteld bij het Openbaar Lichaam Sint-Eustatius. Uit de crediteurenadministratie van het Openbaar Lichaam Sint-Eustatius is gebleken dat in de jaren 2019 tot en met 2021 uit hoofde van de op 29 januari 2019 gesloten overeenkomst met belanghebbende de volgende betalingen zijn gedaan.
Jaar
Betaald aan Belanghebbende
ABB 4%
Bedrag excl. ABB
2019
$
5.726.275,18
$
220.241,35
$
5.506.033,83
2020
$
3.507.595,26
$
134.907,51
$
3.372.687,75
2021
$
1.013.851,83
$
38.994,30
$
974.857,53
Totaal
$
10.247.722,27
$
394.143,16
$
9.853.579,11
2.4
Belanghebbende heeft geen ABB-aangiften gedaan en afgedragen.

3.GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1
In geschil is of de naheffingsaanslag en vergrijpboete ABB over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Meer specifiek ziet het geschil op de vraag of belanghebbende als BES ondernemer kan worden aangemerkt. Daarvoor is relevant of belanghebbende gedurende de looptijd van de opdracht beschikte over een vaste inrichting op Sint-Eustatius.
3.2
Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag en de boete ten onrechte aan haar zijn opgelegd; de Inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

4.OVERWEGINGEN

Juridische kader

4.1
Artikel 6.1. van de Belastingwet BES bepaalt, voor zover hier relevant:
In dit hoofdstuk en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:
(…);
h.
BES ondernemer: een ondernemer die op de BES eilanden woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft van waaruit een dienst wordt verricht, of die, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats op de BES eilanden heeft.
Artikel 6.12 van de Belastingwet BES bepaalt, voor zover hier relevant:
1. De belasting wordt geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht.
2. Indien de producent die de levering verricht of de ondernemer, een andere dan een BES ondernemer, die de dienst verricht niet in het openbaar lichaam van zijn afnemer woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering of de dienst wordt verricht, en degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, een ondernemer is die in dat openbaar lichaam woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft, of een in een openbaar lichaam gevestigd lichaam, wordt de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend.
4.2
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende beschikte over een vaste inrichting op Sint-Eustatius. Voor de uitleg van de term vaste inrichting kan volgens de Inspecteur aansluiting worden gezocht bij artikel 2 Besluit voorkoming dubbele belasting BES en artikel 5 OESO Modelverdrag. Deze artikelen luiden – voor zover hier relevant – als volgt.
Artikel 2 Besluit voorkoming dubbele belasting BES:
1. In dit besluit wordt verstaan onder vaste inrichting: een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder begrepen:
a. de zetel van de leiding van de onderneming;
b. landbouwgronden;
c. werken waarvan de uitvoering langer dan twaalf maanden duurt.
(…)
Artikel 5 OESO modelverdrag:
1. For the purposes of this Convention, the term ‘permanent establishment’ means a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.
2. The term ‘permanent establishment’ includes especially:
a. a) a place of management;
b) a branch;
c) an office;
d) a factory;
e) a workshop, and
f) a mine, an oil or gas well, a quarry or any other place of extraction of natural resources.
3. A building site or construction or installation project constitutes a permanent establishment only if it lasts more than twelve months.
(…)
Tijdens de aanbestedingsprocedure zijn de fiscale verplichtingen nadrukkelijk aan de orde gesteld zodat belanghebbende wist, althans had moeten weten, dat ABB verschuldigd was, aldus de Inspecteur. De Inspecteur verwijst in dat kader naar de voortgangsoverzichten waarop expliciet staat vermeld: “inclusief VAT/ABB”.
Volgens de Inspecteur is daarom niet alleen de naheffingsaanslag terecht opgelegd, maar eveneens de vergrijpboete van 25%.
4.3
Belanghebbende betwist dat sprake was van een vaste inrichting op Sint-Eustatius.
Zij betwist ook dat voor de invulling van het begrip moet worden aangesloten bij de door de Inspecteur genoemde artikelen. Er was geen sprake van een vaste bedrijfsinrichting van waaruit de werkzaamheden werden uitgeoefend. Belanghebbende had geen kantoor op Sint Eustatius. Als al moet worden aangesloten bij de periode van twaalf maanden als genoemd in artikel 5, lid 3, van het OESO modelverdrag, waar door de Inspecteur naar wordt verwezen, dan blijkt uit de overeenkomst tussen het Openbaar Lichaam Sint Eustatius en belanghebbende dat er geen intentie was om een periode van 12 maanden te overschrijden. Belanghebbende was genoodzaakt om verlenging van de voltooiingsdatum aan te vragen vanwege COVID-19 (zie 2.3), waardoor het project in totaal 13,5 maanden heeft geduurd. Er was volgens belanghebbende sprake van een overmacht situatie. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de verleggingsregeling van artikel 6.12, lid 2 Belastingwet BES van toepassing is en op grond daarvan het Openbaar Lichaam Sint-Eustatius de verschuldigde ABB dient af te dragen. Ter zake van de vergrijpboete betwist belanghebbende dat sprake is van grove schuld.
Inhoudelijk oordeel
4.4
De Inspecteur stelt dat belanghebbende dient te worden aangemerkt als (BES-) ondernemer die met behulp van een vaste inrichting diensten verricht die een belastbaar feit vormen in het kader van de ABB en ter zake waarvan belasting verschuldigd is. In een dergelijk geval rust naar het oordeel van het Gerecht de bewijslast ter zake op de Inspecteur. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende haar onderneming drijft met behulp van een vaste inrichting als bedoeld in artikel 2 Besluit voorkoming dubbele belasting BES en artikel 5 van het OESO modeverdrag.
4.5
Het Gerecht stelt voorop dat de term ‘vaste inrichting’ niet wordt gedefinieerd in de Belastingwet BES. Het Gerecht is op grond daarvan van oordeel dat het begrip vaste inrichting restrictief moet worden uitgelegd.
4.6
Naar het oordeel van het Gerecht zoekt de Inspecteur voor de uitleg van het begrip ‘vaste inrichting’ ten onrechte aansluiting bij artikel 2 Besluit voorkoming dubbele belasting BES. De reikwijdte van het aldaar bepaalde is namelijk beperkt. Immers, ingevolge artikel 1 lid 1 van genoemd Besluit is het begrip ‘vaste inrichting’ alleen van toepassing op de inkomstenbelasting BES, loonbelasting BES en kansspelbelasting als bedoeld in hoofdstuk VIIA van de Belastingwet BES. De ABB wordt in het toepassingsbereik niet genoemd.
Het aansluiting zoeken het Besluit voorkoming dubbele belasting BES acht het Gerecht ook overigens minder ‘gelukkig’, omdat het een eenzijdige regeling betreft, derhalve een regeling waarbij de belangen van slechts een van de partijen worden behartigd en het in het onderhavige geval een geschil betreft waarbij twee staten zijn betrokken. Minder ‘gelukkig’ is voorts dat genoemd besluit de belangen van
inwonersvan de BES beoogt te behartigen, terwijl de Inspecteur genoemd besluit wenst toe te passen ten aanzien van een
niet-inwoner(waarvoor het besluit dus helemaal niet bedoeld is).
4.7
Dat de Inspecteur aansluiting zoekt bij het bepaalde in artikel 5 van het OESO modelverdrag acht het Gerecht begrijpelijk. Nu in de Belastingwet BES een definitie van een ‘vaste inrichting’ ontbreekt en evenmin elders in de nationale wetgeving een definitie van een ‘vaste inrichting’ is opgenomen waarbij expliciet aansluiting kan worden gezocht, zal het Gerecht de Inspecteur volgen door te beoordelen of belanghebbende haar werkzaamheden geacht kan worden te hebben uitgevoerd middels een vaste inrichting als bepaald in het OESO modelverdrag. Het OESO modelverdrag beoogt immers te komen tot een evenwichtige verdeling van heffingsrechten, zowel voor de woonstaat (belanghebbende) als voor de bronstaat (Inspecteur).
Naar het Gerecht begrijpt wenst de Inspecteur in dat verband met name aansluiting te zoeken bij artikel 5 lid 3 van het OESO modelverdrag en acht de Inspecteur met name het aldaar bepaalde 12-maanden-criterium van belang. In zijn verweerschrift, p. 5, bovenaan, schrijft de Inspecteur:
‘Volgens artikel 5 OESO Modelverdrag en artikel 2 Besluit voorkoming dubbele belasting BES betekent de term “vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Ook bij de uitvoering van bouwwerken of constructie- of montagewerkzaamheden of de uitvoering van een werk, is sprake van een vaste inrichting indien de duur van het project ten minste 12 maanden overschrijdt. Hieronder vallen ook renovatiewerkzaamheden.’
En even verderop (p. 5):
Volgens artikel lid 3 van het OESO Modelverdrag is sprake van een vaste inrichting bij de uitvoerig van een bouwwerk of constructie- of installatiewerkzaamheden indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.’
En nog verderop (onderaan p. 5):
‘Op basis van het feit dat de daadwerkelijke duur van de werkzaamheden aan de klif op Sint Eustatius een langere looptijd hebben gehad dan een jaar kan niet anders geconcludeerd worden dan dat belanghebbende tijdens deze periode een vaste inrichting heeft gehad op Sint-Eustatius. Dat belanghebbende het voornemen had om de werkzaamheden in een korter tijdsbestek uit te voeren, doet aan het voorgaande niet af.’
Op p. 2 van de uitspraak op bezwaar (response to Formal objection to “naheffingsaanslag Algemene Bestedingsbelasting en boete” regarding aanslagnummer (…) schrijft de Inspecteur (p. 2 van 4):
‘According to Article 5 OECD Model Taks convention and article 2 “Besluit voorkoming dubbele belasting BES” the term “permanent establishment” means a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly of partly carried on. Also a building site or construction or installation project qualifies as a permanent establishment if it lasts more than twelve months. (…)
The on-site work performed by [Y] took place for a period longer than twelve months. Based on the Belastingwet BES in conjunction with article 2 “Besluit voorkoming dubbele belasting BES” and article 5 OECD model tax treaty [Y] had in the period 2019-2021 a permanent establishment on St. Eustatius and is therefore liable to the ABB in St. Eustatius.
The renovation project on St. Eustatius took longer than a year. During that time [Y] also had employees and machines on site. For international taxation matters abovementioned aspects are sufficient for having a permanent establishment. The fact that the management of the company was not present on the work site every day is irrelevant. Relevant is that the construction period for renovating the cliff took more than twelve months. During the construction period the group had on St. Eustatius, temporary workers, a foreman and an administrative worker for day-to-day affairs to carry out the work.’
4.8
Naar het oordeel van het Gerecht baseert de Inspecteur diens zienswijze op een onjuiste lezing van artikel 5 lid 3 van het OESO modelverdrag. Genoemd artikel bepaalt namelijk niet dat als een bouw-, constructie- of installatiewerkzaamheid de duur van 12 maanden overschrijdt er automatisch sprake is van een vaste inrichting, maar dat alleen in het geval dat een bouw-, constructie- of installatiewerkzaamheid de duur van 12 maanden overschrijdt er sprake
kan zijnvan een vaste inrichting. Anders geformuleerd: indien een bouw-, constructie- of installatiewerkzaamheid een duur heeft van minder dan 12 maanden dan is sowieso geen sprake van een vaste inrichting. Bij overschrijding van de duur van 12 maanden voor werkzaamheden als hiervoor genoemd is alleen dan sprake van een vaste inrichting indien ook overigens is voldaan aan de ‘normale’ vereisten voor de aanwezigheid van een vaste inrichting, dat wil zeggen een ‘fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.’
Zie in dit verband de toelichting op het OESO modelververdrag (1992):
‘This paragraph provides expressly that a building site of construction or installationproject constitutes a permanent establishment only if it lasts more than twelve months. Any of those items which does not meet this condition does not itself constitute a permanent establishment, even if there is within it an installation, for instance an office or a workshop within the meaning of paragraph 2, associated with the construction activity.’
4.9
In de onderhavige zaak is niet in geschil dat sprake is van een bouw-, constructie- of installatiewerkzaamheid. Ervan uitgaande dat die werkzaamheid langer dan 12 maanden heeft geduurd, dient vervolgens te worden vastgesteld of de werkzaamheid als vaste inrichting kan worden aangemerkt.
4.1
Tussen partijen is niet in geschil dat op de plaats van de werkzaamheid, de klif van Fort Oranje, een onderneming geheel of gedeeltelijk is uitgeoefend. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of dit duurzaam heeft plaatsgevonden middels een vaste bedrijfsinrichting.
4.11
De Inspecteur, op wie de bewijslast rust (zie 4.4) heeft ter zake aangevoerd dat belanghebbende gedurende de looptijd van de werkzaamheden over personeel (uitzendkrachten, een uitvoerder en een administratief medewerkster) en technische middelen op de locatie beschikte, alsmede over een kantoor. De Inspecteur wijst in dit kader naar de werkbeschrijving op de ‘invoices’ waar in sectie A2 onder meer het volgende is opgenomen:
“(…)
A2.1
Site clearance and establishment of contractor’s site offices, cabins, huts, storage areas, site material testing laboratory, including the provision of all necessary services.
(…)
(…)
A2.3
Provide office for the Employer’s Project Manager within the Contractor’s site offices, including the provision of all necessary services including telephone and internet for a laptop for the duration of the Contractor
(…)”
4.12
Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de daadwerkelijke situatie afwijkt van de situatie zoals die wordt geschetst op de ‘invoices’ en zij verplicht werd dit vooraf opgemaakte template te gebruiken. Belanghebbende weerspreekt dat er sprake was van een kantoor en stelt geen kantoor te hebben gehad. De vergaderingen vonden plaats in kantoren van het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius of dat van de projectmanager ([Z]), aldus belanghebbende. Voor het verblijf van het personeel zijn er twee huizen gehuurd. Materialen lagen opgeslagen in een zeecontainer.
Belanghebbende heeft na afloop van de zitting nadere stukken ingediend. Het gaat om foto’s die op diverse momenten van de werkzaamheden zijn gemaakt.
4.13
Het Gerecht komt, alles afwegende, tot het oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een vaste inrichting. De verwijzing naar de werkbeschrijving op de ‘invoices’ is daartoe onvoldoende. Door belanghebbende is door middel van de overgelegde foto’s voldoende aannemelijk gemaakt dat van de op de ‘invoices’ vermelde ‘offices’ (en ‘cabins en huts’) geen sprake was. Op de foto’s is niets te zien wat doet vermoeden dat belanghebbende de beschikking had over een kantoor of anderszins ‘a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly of partly carried on’. Dat geldt evenmin voor de zeecontainers waarin materialen waren opgeslagen. Een zeecontainer is namelijk verplaatsbaar en daarmee niet ‘fixed’ en daarnaast kan evenmin wordt gesteld dat een zeecontainer een plaats is van waaruit de ‘the business of enterprise is wholly of partly carried on’. Daarvoor is de functie van een zeecontainer – te weten het opslaan van materialen – te beperkt.
4.14
Het Gerecht komt tot de conclusie dat geen sprake is van een vaste inrichting. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag en vergrijpboete vernietigd dienen te worden. Eventuele toepassing van de verleggingsregeling van artikel 6.12 van de Belastingwet BES valt alsdan buiten het bestek van de onderhavige zaak.
Slotsom
4.15
Het gevolg van het vorenstaande is dat het beroep gegrond is. De naheffingsaanslag ABB en de ter zake daarvan opgelegde boete moeten worden vernietigd.

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Kosten beroepsfase
5.2
Ingevolge artikel 8:115a Belastingwet BES worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
5.3
In artikel 5.1 van het Uitvoeringsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op USD 782 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt USD 391, wegingsfactor 1).
5.4
Belanghebbende heeft daarnaast verzocht om vergoeding van de reis- en verblijfkosten. Ingevolge artikel 5.1 letter c van het Uitvoeringsbesluit kan een belastingplichtige daarvoor in aanmerking komen. Op grond van artikel 5.2, letter c van het Uitvoerbesluit worden deze kosten bepaald overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken. In dit laatste artikel is bepaald dat het bedrag van hetgeen de heen- en terugreis kost zal worden vergoed naar billijkheid en ter beoordeling van de rechter.
5.5
De zitting zou aanvankelijk plaatsvinden op Sint Eustatius, in welk geval belanghebbende, die woonachtig in het Franse deel van Sint Maarten, een vliegticket zou moeten kopen om op de zitting aanwezig te kunnen zijn. De zitting heeft evenwel op verzoek van belanghebbende zelf plaatsgevonden op het Gerecht in Sint Maarten. De reiskosten van belanghebbende zullen dan ook zeer beperkt geweest zijn. Belanghebbende heeft geen inzicht verschaft in de hoogte van de reiskosten die hij heeft moeten maken. Het Gerecht zal de kosten bepalen op USD 10.
5.6
De Inspecteur dient op grond van artikel 8.104, lid 4 Belastingwet BES het betaalde griffierecht van USD 30 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag en de vergrijpboete;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van USD 782 plus USD 10, is USD 792; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van USD 30 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 8 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Kerkweg 4
Oranjestad
Sint Eustatius
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van USD 60 verschuldigd.