Eiser vorderde dat het gerecht verklaart dat de notaris onrechtmatig heeft gehandeld door het ten onrechte doorhalen en rectificeren van hypotheken en fouten bij de aflossing van hypotheken uit de verkoopopbrengst van zijn woning. De notaris werd geconfronteerd met meerdere hypotheken ten behoeve van verschillende banken en een complexe situatie met borgstellingen en aandelenoverdracht.
Het gerecht stelde vast dat de notaris de hypotheek ten onrechte had doorgehaald, maar dat dit een administratieve handeling betrof en dat het recht van hypotheek zelf bleef bestaan. De rectificatie van de doorhaling door de notaris op verzoek van de bank was rechtmatig en werd door een eerder vonnis bevestigd, waardoor gezag van gewijsde van toepassing was.
Verder oordeelde het gerecht dat de notaris geen onrechtmatige daad had gepleegd bij de aflossing van de hypotheken uit de verkoopopbrengst, mede omdat de schuldverhoudingen complex waren en de notaris voldoende had toegelicht waarom de afrekening was ingericht zoals die was. Ook de uitbetaling van de koopsom voor de inboedel aan de hypotheekhouders was gerechtvaardigd.
De vordering van eiser werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. Het gerecht vond geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door eiser. De uitspraak werd gewezen door rechter R.P.P. Hoekstra op 29 oktober 2025.