ECLI:NL:OGEABES:2025:40

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
BON202500362
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1614q BW BESArt. 7A:1615h BW BESArt. 7A:1615l lid 5 BW BESArt. 7A:1615r lid 5 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onregelmatig ontslag en uitleg addendum arbeidsovereenkomst bij Dabboussi Motors

Dabboussi Motors heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer op 23 mei 2025 met onmiddellijke ingang beëindigd, zonder inachtneming van de contractuele opzegtermijn van minimaal vier maanden. Partijen waren het oneens over de uitleg van een addendum van 16 april 2025, waarin de taken en beloning werden aangepast, maar niet de duur van het contract. Het gerecht oordeelt dat het addendum geen wijziging van de contractduur inhoudt en dat het ontslag daarom onregelmatig is.

De werknemer vorderde een schadeloosstelling gelijk aan zeven maanden loon, maar kon onvoldoende onderbouwen dat zijn schade hoger was dan de wettelijke schadeloosstelling van vier maanden loon. Ook werd de vordering tot achterstallige huurcompensatie en commissie afgewezen omdat deze in het addendum waren komen te vervallen. De vordering voor niet genoten vakantiedagen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Het gerecht veroordeelt Dabboussi Motors tot betaling van de wettelijke schadeloosstelling over de maanden juni tot en met september 2025, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 mei 2025. Tevens wordt Dabboussi Motors veroordeeld in de proceskosten. Het tegenverzoek van Dabboussi Motors wordt niet behandeld omdat de voorwaarde niet is vervuld.

Uitkomst: Dabboussi Motors is veroordeeld tot betaling van wettelijke schadeloosstelling over vier maanden loon met rente wegens onregelmatig ontslag.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500362
datum beslissing: 1 oktober 2025
BESCHIKKING
in de zaak van:
[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek],
wonende te Bonaire,
verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna:
[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek],
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
DABBOUSSI MOTORS B.V.,
gevestigd te Bonaire,
verweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna:
Dabboussi Motors,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] met producties, ingekomen op 15 juli 2025
  • het verweerschrift met een (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek met producties van Dabboussi Motors
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2025. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend. Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek], bijgestaan door mr. Winkel
  • namens Dabboussi Motors haar (indirect) bestuurder [bestuurder Dabboussi], bijgestaan door mr. Nicolaas
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Winkel mede aan de hand van spreekaantekeningen het woord gevoerd.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Dabboussi Motors is een autobedrijf. Bestuurder van Dabboussi Motors is Dabboussi Holding B.V., waar [bestuurder Dabboussi] bestuurder van is.
2.2.
Tussen Dabboussi Motors en [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] is een schriftelijke arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] is op 13 maart 2025 in dienst getreden bij Dabboussi Motors in de functie van Operations Managers voor de duur van 12 maanden tegen een bruto uurloon van US$ 12,50 tot 24 maart 2025 en een bruto uurloon van US$ 15 vanaf 24 maart 2024. Daarnaast ontving [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] op basis van de arbeidsovereenkomst maandelijks US$ 500 aan huurcompensatie en US$ 25 aan commissie voor elke verkochte auto en mocht [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] gebruik maken van een bedrijfsauto van Dabboussi Motors voor privédoeleinden.
2.3.
Op 16 april 2025 heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] met Dabboussi Motors (in de persoon van [bestuurder Dabboussi]) gesproken onder meer over de problemen waar hij tegenaan liep in de uitoefening van zijn functie. Na dat gesprek hebben partijen besloten de taken van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] aan te passen en hebben partijen een schriftelijk addendum op de arbeidsovereenkomst ondertekend. In dat addendum staat dat het uurloon US$ 15 blijft en dat de maandelijkse huurcompensatie van US$ 500 en de commissie van US$ 25 per verkochte auto komen te vervallen. Het addendum luidt verder (in het Papiaments, door beide gemachtigden vrij vertaald naar het Nederlands): Deze
wijziging telt vanaf 24 maart 2024 tot en met 2 maanden en met de mogelijkheid om te verlengen volgens het gedrag van de werknemer.
2.4.
In april 2025 heeft Dabboussi Motors aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] US$ 717,05 aan loon betaald. In mei 2025 heeft Dabboussi BV aan Polanco US$ 394,21 aan loon betaald. Dabboussi Motors heeft op de loonbetaling aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] een eerder aan hem verstrekte geldlening in mindering gebracht.
2.5.
Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] zich bij Dabboussi Motors ziekgemeld.
2.6.
Op 23 mei 2025 heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] gesproken met een medewerker van de afdeling arbeidszaken van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) over bemiddeling over het uitbetaalde loon.
2.7.
Op enig moment nadat door een medewerker van de afdeling arbeidszaken van RCN telefonisch contact was opgenomen met Dabboussi Motors heeft Dabboussi Motors op 23 mei 2025 aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] geschreven (in het Papiaments door de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] vrij vertaald naar het Nederlands):
Zoals je weet is vandaag je laatste werkdag en wij zullen je arbeidsovereenkomst niet verlengen.
2.8.
In een brief van 2 juli 2025 heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] aan Dabboussi Motors laten weten dat hij niet instemt met het hem op 23 mei 2025 gegeven ontslag op staande voet en heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] de vernietiging daarvan ingeroepen en zich bereid verklaard zijn werkzaamheden bij Dabboussi Motors te hervatten.
2.9. [
verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft per 1 augustus 2025 een andere baan. Hij berust in beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2025.

3.Het verzoek en het tegenverzoek

3.1. [
verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] vordert– samengevat – dat het gerecht:
voor recht verklaart dat de brief van 16 april 2025 geen opzegging van het dienstverband betreft conform artikel 7A:1615h BW BES;
het verleende ontslag van 23 mei 2025 onregelmatig verklaart;
het verleende ontslag van 23 mei 2025 kennelijk onredelijk verklaart;
Dabboussi Motors veroordeelt om aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag te betalen gelijk aan 7 maanden loon wegens het onregelmatig en kennelijk onredelijk ontslag, te vermeerderen met de vertragingsrente als bedoeld in artikel 7A:1614q BW BES en met de wettelijke rente;
Dabboussi Motors veroordeelt tot betaling van 3,75 niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging conform artikel 7A:1614q BW BES en de wettelijke rente;
Dabboussi Motors veroordeelt tot betaling aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de somma van US$ 2.250, - wegens achterstallige huurcompensatie en commissie over de maanden april en mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging conform artikel 7A:1614q BW BES en de wettelijke rente;
Dabboussi Motors veroordeelt in de proceskosten en in de nakosten.
3.2.
Dabboussi Motors concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in de proceskosten.
3.3.
Voor het geval het gerecht oordeelt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 23 mei 2025, vordert Dabboussi Motors als tegenverzoek– samengevat – dat het gerecht:
voor recht verklaart dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] misbruik maakt van procesrecht;
[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] veroordeelt tot schadevergoeding die Dabboussi Motors als gevolg daarvan lijdt, nader op te maken bij staat;
[verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] veroordeelt in de werkelijke proceskosten van Dabboussi Motors.
3.4. [
verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] concludeert tot afwijzing van het tegenverzoek met veroordeling van Dabboussi Motors in de proceskosten.

4.De beoordeling

in het verzoek

4.1.
Het gerecht zal oordelen dat Dabboussi Motors op 23 mei 2025 de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd en dat hij daarom recht heeft op de wettelijke schadeloosstelling. Het gerecht zal Dabboussi Motors veroordelen om aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] de wettelijke schadeloosstelling (inhoudende vier maanden loon) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 mei 2025. Dat wordt hierna uitgelegd.
De inhoud van de arbeidsovereenkomst
4.2.
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze aanvangt op 13 maart 2025 en eindigt op 12 maart 2026. Ook is bepaald dat de opzegtermijn voor de werknemer 2 maanden bedraagt. Gelet op het bepaalde in artikel 7A:1615l lid 5 BW BES geldt – nu de in lid 2 bepaalde wettelijke opzegtermijn van de werknemer bij deze schriftelijke overeenkomst is verlengd tot 2 maanden – voor de werkgever een opzegtermijn van minimaal 4 maanden.
4.3.
Dabboussi Motors heeft bij mail van 23 mei 2025 de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd. Vast staat dat hij daarmee de voor hem op grond van de arbeidsovereenkomst geldende opzegtermijn niet in acht heeft genomen.
Het addendum
4.4.
Partijen zijn op 16 april 2025 een addendum op de arbeidsovereenkomst overeengekomen.
4.5.
Het beroep van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] op misbruik van omstandigheden en bedreiging bij de totstandkoming van het addendum slaagt niet. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft de daarvoor benodigde feiten en/of omstandigheden niet gesteld. Dabboussi Motors heeft de stelling van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] dat hij het addendum moest tekenen en dat hij anders zou worden ontslagen, gemotiveerd betwist. Uit het geluidsfragment van het gesprek tussen partijen op 16 april 2025 en de daarvan overgelegde transcriptie blijkt niet dat Dabboussi Motors dat heeft gezegd. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft zijn stelling niet nader onderbouwd. De stelling is daarom niet komen vast te staan. Het addendum is rechtsgeldig.
4.6.
In het addendum zijn partijen overeengekomen dat het uurloon van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] US$ 15 blijft, dat de maandelijkse huurcompensatie van US$ 500 en de commissie over elke verkochte auto komen te vervallen en dat deze wijziging geldt tot twee maanden na 24 maart 2025 met de mogelijkheid van verlenging, afhankelijk van het gedrag van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek]. Aangehecht is een opsomming van de (aangepaste) werkzaamheden van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek].
4.7.
Dabboussi Motors stelt dat partijen met dit addendum zijn overeengekomen dat de duur van de arbeidsovereenkomst nog slechts 2 maanden was vanaf 24 maart 2025. De arbeidsovereenkomst zou daarmee op 23 mei 2025 door het verstrijken van de overeengekomen termijn eindigen. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] betwist dit.
4.8.
De betekenis van het addendum moet daarom door uitleg worden vastgesteld. De inhoud van het addendum wordt bepaald door de gekozen formulering en de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen en van elkaar mochten verwachten. [1]
4.9.
De door Dabboussi Motors bepleite uitleg volgt niet uit de bewoordingen van het addendum. In het addendum wordt met geen woord gerept over een wijziging van de contractduur. Er wordt slechts gesproken over wijzigingen in de taakomschrijving en in de beloning, En uit de bewoordingen volgt dat de termijn van 2 maanden vanaf 24 maart 2025 slechts ziet op deze wijzigingen, dus niet op de duur van de arbeidsovereenkomst. Dabboussi Motors heeft in het geding gebracht een opname van het gesprek dat partijen op 16 april 2025 hebben gevoerd en een transcript daarvan. Daaruit blijkt niet dat partijen voorafgaand aan het ondertekenen van het addendum hebben gesproken over een wijziging van de contractduur. Uit het geluidsfragment/transcript blijkt slechts dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft gezegd dat hij ander werk wil gaan zoeken. Daarmee zegt [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] nog niet dat hij het eens is met een beperking van de contractduur. Gelet op de grote (financiële) gevolgen die zo’n beperking meebrengt, zal duidelijk en ondubbelzinnig moeten blijken dat de werknemer daarmee instemt. Die instemming volgt niet uit de inhoud van het addendum en valt evenmin te ontwaren in het geluidsfragment/transcript van het gesprek van 16 april 2025.
4.10.
Dat in het addendum is opgenomen dat de aanpassing alles dat eerder is overeengekomen vervangt, kan vanzelfsprekend alleen gelden voor de punten die in het addendum zijn vermeld. Nu in het addendum de contractduur niet is aangepast, blijft dus de eerder overeengekomen contractduur in stand.
De vorderingen van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek]
4.11.
Omdat partijen in het addendum rechtsgeldig zijn overeengekomen dat de maandelijkse huurcompensatie van US$ 500 en de commissie voor elke verkochte auto komen te vervallen, heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] geen aanspraak op achterstallige huurcompensatie en commissie voor de maanden april en mei. De vordering van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] onder 6 zal daarom worden afgewezen.
4.12.
Uit wat hiervoor onder 4.2. tot en met 4.10 is overwogen volgt dat sprake is van een onregelmatig ontslag omdat de opzegtermijn niet in acht is genomen. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft daarom recht op ofwel de wettelijke schadeloosstelling ofwel op volledige schadevergoeding. De wettelijke schadeloosstelling bedraagt in dit geval het loon over de opzegtermijn van 4 maanden, dus over de maanden juni, juli, augustus en september 2025. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft een schadevergoeding van 7 maanden loon gevorderd, maar hij heeft onvoldoende onderbouwd dat zijn schade hoger is dan de wettelijke schadeloosstelling. Dit temeer nu hij al vanaf 1 augustus 2025 een andere baan heeft gevonden.
4.13.
Voor wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling geldt dat het uitsluitend om het loon gaat. Er moet van worden uitgegaan dat de wijzigingen in het addendum gedurende de opzegtermijn doorlopen, zodat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] geen recht meer had op huurcompensatie en commissies.
4.14.
De schadeloosstelling bestaat dus uit een bedrag, gelijk aan het loon (van USD 15,00 per uur) over de maanden juni, juli, augustus en september 2025. Over deze schadeloosstelling is (gelet op artikel 7A: 1615r, lid 5 BW BES) de wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 mei 2025.
4.15.. Bij de gevorderde verklaringen voor recht heeft [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] geen belang naast de oordelen die hiervoor al zijn gegeven, zodat de vorderingen van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] onder 1, 2 en 3 zullen worden afgewezen.
4.16.
Dabboussi Motors heeft gemotiveerd betwist dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] nog 3.75 niet genoten vakantiedagen heeft. Volgens Dabboussi Motors had [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] nog 2,5 niet genoten vakantiedagen en zijn die aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] uitbetaald. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van Dabboussi Motors lag het op de weg van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] om zijn stelling nader te onderbouwen. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft dat nagelaten zodat zijn stelling niet is komen vast te staan. De vordering van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] onder 5 zal worden afgewezen.
4.17.
Dabboussi Motors zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] worden begroot op US$ 1.146 zijnde US$ 28 aan griffierecht en US$ 1.118 aan salaris van de gemachtigde (2 x tarief 5 van US$ 559 per punt).
In het voorwaardelijk tegenverzoek
4.18.
Nu de voorwaarde niet is vervuld (de arbeidsovereenkomst is immers
nietvan rechtswege geëindigd op 23 mei 2025), wordt aan het tegenverzoek niet toegekomen.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
veroordeelt Dabboussi Motors tot betaling aan [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot een bedrag gelijk aan het loon (van US$ 15,00 per uur) over de maanden juni, juli, augustus en september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt Dabboussi Motors in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] begroot op US$ 1.146,00;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).