ECLI:NL:OGEAA:2026:70

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
AUA202501633 AR
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling geldsom en wettelijke rente afgewezen voor extra schadevergoeding

Trecca Car Rental N.V. heeft een geldvordering op Garage Cordia Aruba N.V., welke laatste deze vordering erkent. Partijen zijn overeengekomen dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf 4 december 2023.

Trecca stelt dat de wettelijke rente onvoldoende schadevergoeding biedt omdat Cordia op grond van een consignatieovereenkomst de opbrengst van verkochte auto's direct aan haar had moeten uitbetalen, wat niet is gebeurd. Dit zou neerkomen op diefstal van eigendom en het onvermogen van Trecca om deze gelden te benutten voor haar onderneming.

Cordia betoogt dat de schadevergoeding op grond van artikel 6:119 BW Pro is gefixeerd op de wettelijke rente en dat een hogere vergoeding niet kan worden toegewezen. De rechtbank oordeelt dat er geen rechtsgrond bestaat voor een hogere schadevergoeding dan de wettelijke rente en dat het verzoek tot ontbinding van de consignatieovereenkomst niet nodig is voor de toewijzing van de geldvordering. De vorderingen worden toegewezen voor de hoofdsom en wettelijke rente, maar het meer gevorderde wordt afgewezen. Cordia wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Cordia wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en wettelijke rente, meer schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Vonnis van 4 maart 2026
Behorend bij AUA202501633 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
TRECCA CAR RENTAL N.V.,
te Aruba,
eiseres, hierna: Trecca,
gemachtigde: mr. R.L.F. Dijkhoff,
tegen:
GARAGE CORDIA ARUBA N.V.,
te Aruba,
gedaagde, hierna: Cordia,
gemachtigde: mr. P.R.C. Brown en mr. R.J. Cera

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord;
- de comparitie van 19 februari 2026,
- pleitnota namens Trecca,
- pleitnota namens Cordia.
1.2
De zaak is aan het einde van de comparitie verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE BEOORDELING

2.1
Trecca heeft een geldvordering op Cordia. Zij erkent deze vordering. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat de wettelijke rente over deze geldvordering verschuldigd is vanaf 4 december 2023.
2.2
Trecca voert aan dat de wettelijke rente haar schade niet in voldoende mate vergoedt. Cordia had namelijk op grond van de consignatieovereenkomst elke keer als zij een auto verkoopt de opbrengst direct moeten uitbetalen aan Trecca. Dat heeft zij ten onrechte niet
gedaan. Dat is eigenlijk diefstal van eigendom van Trecca die deze gelden niet heeft kunnen aanwenden ten behoeve van haar eigen onderneming. Cordia wijst erop dat de schade als gevolg van het niet betalen van een geldsom op grond van artikel 6:119 BW Pro is gefixeerd op de wettelijke rente.
2.3
De kwestie van de extra schadevergoeding is het enige geschilpunt. Cordia heeft op dat punt het gelijk aan haar zijde. Er is sprake van een overeenkomst tussen partijen op grond waarvan Cordia gelden aan Trecca diende te betalen. Zij heeft dat niet op tijd gedaan en artikel 6:119 BW Pro fixeert in een dergelijk geval de schadevergoeding op de wettelijke rente. Dat Trecca mogelijk meer schade heeft ondervonden dan wordt gedekt door de wettelijke rente is spijtig maar een inherent risico van zaken doen.
2.4
De vorderingen van Trecca worden toegewezen, met uitzondering van de verklaring van recht dat de consignatieovereenkomst is ontbonden omdat dat niet nodig is voor toewijzing van de geldvordering en de wettelijke rente daarover. Immers, er is sprake van verzuim en dat brengt al de verplichting met zich mee om wettelijke rente te betalen. Kortom: er ontbreekt procesbelang bij die vordering. Evenmin wordt dus meer schadevergoeding toegewezen dan de wettelijke rente omdat daarvoor geen rechtsgrond bestaat.
2.5
Cordia wordt verwezen in de proceskosten omdat zij een reeds lang opeisbare en niet betwiste vordering onbetaald heeft gelaten.

3.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
veroordeelt Cordia tot betaling van de restant hoofdsom van Afl 104.800,42,
veroordeelt Cordia tot betaling van de wettelijke rente over de oorspronkelijke hoofdsom van Afl. 358.850,18 vanaf 4 december 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt Cordia in de proceskosten, aan de zijde van Trecca begroot op Afl. 2.840,00 aan griffierecht, Afl. 225,00 aan oproepingskosten en Afl. 4.000,00 aan salaris gemachtigde,
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.